AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens ontbreken terugkeerbesluit en onvoldoende gronden
Eiser, een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf, werd op 22 april 2012 in bewaring gesteld met het oog op uitzetting op grond van artikel 59 VreemdelingenwetPro 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat aan eiser geen terugkeerbesluit was uitgereikt en hij Nederland in 2011 daadwerkelijk had verlaten. De gronden voor inbewaringstelling, zoals het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan, waren onvoldoende om het risico van ontwijking of belemmering aannemelijk te maken.
Verder werd geoordeeld dat de staandehouding in het kader van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen (MTV) rechtmatig was, omdat voldaan was aan de normering van de Vreemdelingenwet en het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank wees op jurisprudentie waarin een MTV-controle niet gelijk is te stellen met een grenscontrole, maar wel tot een rechtmatige staandehouding kan leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval opheffing van de bewaring per direct en kende eiser een schadevergoeding van € 2.480 toe, alsmede proceskosten van € 874. De uitspraak werd gedaan door rechter H.R. Schimmel op 23 mei 2012.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, heft de bewaring per direct op en kent een schadevergoeding van € 2.480 toe.
Uitspraak
RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
nevenzittingsplaats Zwolle
Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken
Registratienummer: Awb 12/15071
Uitspraak op het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59 VreemdelingenwetPro 2000 (Vw 2000)
in het geding tussen:
[….]
geboren op […],
van Afghaanse nationaliteit,
IND dossiernummer [nummer],
V-nummer [nummer],
thans verblijvende in het detentiecentrum te Zaandam,
raadsman mr. G.J.C. van Buuren,
eiser;
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,
vertegenwoordigd door D.A. Riezebos,
ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),
verweerder.
1. Procesverloop
Op 22 april 2012 is eiser, die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, met het oog op de uitzetting in bewaring gesteld omdat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert (artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000).
Op 8 mei 2012 heeft eiser tegen de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het beroep is behandeld ter zitting van 16 mei 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.
2. Overwegingen
2.1 Eiser is op 22 april 2012 om 3:45 uur staandegehouden door de Koninklijke Marechaussee in het kader van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen (MTV).
2.2 Eiser heeft aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen van 24 april 2012, waarmee inzichtelijk dient te worden gemaakt dat het MTV niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole, niet op ambtseed is opgemaakt. Om die reden is niet inzichtelijk of het MTV voldoet aan de gestelde voorwaarden.
2.3 Dat betoog faalt. In aanvulling op het op ambtseed opgemaakte en ondertekende proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 22 april 2012, is een proces-verbaal van bevindingen opgesteld op 24 april 2012. Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dient in beginsel van de juistheid en volledigheid van het op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal te worden uitgegaan. Daargelaten het antwoord op de vraag of een proces-verbaal van bevindingen - dat dient ter aanvulling op een eerder afgesloten proces-verbaal - op ambtseed dient te worden opgemaakt, stelt de rechtbank vast dat eiser de inhoud van het proces-verbaal niet heeft betwist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de inhoud van dat proces-verbaal uit te sluiten bij de beoordeling van de onderhavige maatregel van bewaring.
2.4 Eiser heeft voorts aangevoerd dat het MTV hetzelfde effect heeft als een grenscontrole en heeft daartoe gewezen op een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Hof) van 11 mei 2012, LJN: BW5488.
2.5 Verweerder heeft betoogd dat het MTV voldoet aan de eisen die daaraan zijn gesteld, zoals die volgen uit de jurisprudentie van de Afdeling, en dat derhalve sprake is van een niet met de Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) strijdige uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in artikel 50 vanPro de Vw 2000. Verweerder heeft daartoe verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2012, LJN: BN5935.
2.6 De rechtbank overweegt het volgende. In het arrest van het Hof lag de vraag in een strafrechtzaak voor of de MTV-controle, zoals die in die zaak was uitgevoerd, conform de Schengengrenscode was uitgevoerd. Het Hof heeft daarbij vastgesteld dat een MTV-controle niet gelijk is te stellen met een grenscontrole, nu geen sprake is van controles bij daartoe specifiek ingerichte doorlaatposten op de grens. Wel is het Hof van oordeel dat de in dat specifieke geval voorliggende MTV-controle hetzelfde effect had als een grenscontrole. Daarvoor heeft het Hof een aantal omstandigheden van belang geacht, waaronder de verklaring van de betrokken verbalisanten. De rechtbank ziet in het arrest van het Hof geen aanleiding om af te wijken van de jurisprudentie van de Afdeling.
2.7 Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012, LJN: BW4356, volgt dat een MTV-controle kan leiden tot een rechtmatige staandehouding. Daarvoor is van belang dat in het betreffende proces-verbaal inzicht wordt verschaft in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de feiten en omstandigheden, zoals weergegeven in de processen-verbaal van 22 april 2012 en 24 april 2012, genoegzaam dat de staandehouding heeft plaatsgevonden na een krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 gehouden MTV-controle en is voorts in voldoende mate inzicht gegeven in de vraag of is voldaan aan de normering, zoals die in artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, respectievelijk het vijfde lid, van het Vb 2000 is vastgelegd.
Met betrekking tot de vraag of is voldaan aan het tweede lid van artikel 4.17a van het Vb 2000 wordt overwogen dat in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding is vermeld dat op de locatie, waar de vreemdeling is staande gehouden, regelmatig controles worden uitgevoerd omdat uit ervaring en analyse is gebleken dat langs deze weg illegale immigratie en migratiecriminaliteit plaatsvindt. Gezien dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal mocht van de juistheid van deze gegevens worden uitgegaan.
2.8 Ingevolge artikel 5.1a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft, in bewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien:
a. een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, of
b. de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb wordt bepaald aan welke voorwaarden moet worden voldaan voor de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid.
Volgens het tweede lid van dit artikel wordt aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, bedoeld in artikel 5.1a, eerste lid, niet voldaan indien slechts één van de feiten of omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, van toepassing is.
2.9 Verweerder heeft aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd dat eiser:
- eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Verweerder heeft ter zitting de gronden dat eiser zich zonder noodzaak heeft ontdaan van
zijn reis- of identiteitsdocumenten en dat eiser in verband met een aanvraag om toelating
onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit,
nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat laten vallen. Voorts heeft
verweerder meegedeeld dat het standpunt dat eiser zijn vertrekprocedure ontwijkt of belemmert doordat hij geen contact wil opnemen met de consulaire vertegenwoordiger van zijn land van herkomst, niet wordt gehandhaafd.
2.10 Eiser heeft alle gronden gemotiveerd betwist.
2.11 De rechtbank overweegt het volgende. De grief dat aan eiser geen terugkeerbesluit is uitgereikt voorafgaande aan zijn inbewaringstelling en dat onduidelijk is of de vorige nog van kracht is slaagt niet. Voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft eiser in het gehoor op grond van artikel 5.2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) verklaard dat hij in Noorwegen asiel heeft aangevraagd. Het onderzoek van de vingerafdrukken van eiser heeft ook geleid tot een treffer in Eurodac, naar aanleiding waarvan hij is te herleiden tot Noorwegen. Aldus zijn voldoende aanknopingspunten naar voren gekomen op grond waarvan verweerder tot de conclusie heeft kunnen komen dat eiser als Dublinclaimant dient te worden aangemerkt en hij in het kader van de Dublinverordening kan worden overgedragen. Uit de wet noch uit het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt dat aan eiser een terugkeerbesluit diende te worden uitgereikt. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2011, LJN: BR2122.
2.12 Eiser is eerder, op 28 september 2011, in bewaring gesteld met het oog op uitzetting. De bewaring is op 7 oktober 2011 opgeheven. Blijkens het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 22 april 2012 is eiser in het Vreemdelingenbasissysteem geregistreerd, waarbij is opgenomen dat hem in 2011 een aanzegging om Nederland te verlaten is uitgereikt. Eiser heeft dit ook niet betwist. Vaststaat echter dat eiser Nederland ook daadwerkelijk heeft verlaten. Anders dan in de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2011, LJN: BR3845, is aan eiser geen terugkeerbesluit uitgereikt. Om die reden kan niet worden gezegd dat op eiser de verplicht rustte de Europese Unie te verlaten. Nu eiser, zoals hiervoor overwogen, het grondgebied van Nederland in 2011 daadwerkelijk heeft verlaten, heeft verweerder derhalve ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd dat de openbare orde de inbewaringstelling van eiser vordert op de grond dat hem eerder een aanzegging is uitgereikt Nederland binnen de gestelde termijn te verlaten.
2.13 De resterende gronden zijn onvoldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2012, LJN: BW4359. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de gronden dat de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet over voldoende middelen van bestaan beschikt, niet van dien aard zijn dat hieruit op zichzelf dan wel in samenhang bezien reeds volgt dat de vreemdeling zich aan zijn uitzetting zal onttrekken of dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft ter zitting betoogd dat deze gronden terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd, maar heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiser reeds vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en voldoende middelen van bestaan, een zodanig risico voor ontwijking of belemmering is gegeven.
2.14 Verweerder heeft ter zitting gewezen op het risico dat Dublinclaimanten in zich herbergen dat zij zich aan het toezicht zullen onttrekken en heeft daarbij verwezen naar de Vreemdelingencirculaire 2000, paragraaf A/5.3.3.6. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert dient te worden uitgegaan van de omstandigheden die in het besluit waarbij de maatregel van bewaring is opgelegd zijn vermeld. In het onderhavige geval heeft verweerder niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd dat gelet op artikel 5.1a, tweede lid, van het Vb 2000 de openbare orde of de nationale veiligheid de inbewaringstelling van eiser vordert omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Om die reden laat de rechtbank de toelichting die verweerder heeft gegeven op het gegeven dat eiser Dublinclaimant is buiten beschouwing.
2.15 De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig is geweest. Het beroep zal gegrond worden verklaard.
2.16 Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, waaronder de levensomstandigheden van eiser, gronden van billijkheid aanwezig om hem ten laste van de Staat een schadevergoeding toe te kennen van € 105,-- per dag voor de dagen die eiser vanaf 22 april 2012 op Brigade BNLN te Venlo heeft doorgebracht (2 dagen) en € 80,-- per dag voor de dagen die eiseres vanaf 24 april 2012 heeft doorgebracht in het huis van bewaring (29 dagen). Dit betekent dat een schadevergoeding van € 2.480,-- zal worden toegekend.
Er bestaat voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--; wegingsfactor 1). Aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand. Om die reden dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht de betaling van het bedrag van de proceskosten te geschieden aan de griffier van de rechtbank.
3. Beslissing
De rechtbank
-verklaart het beroep gegrond;
-beveelt de opheffing van de bewaring per heden;
-kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een schadevergoeding toe van € 2.480,--;
-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,--, te voldoen aan de griffier van deze rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.R. Schimmel, rechter, en door hem en
mr. C.J.H. Terwal als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op
Afschrift verzonden op:
Rechtsmiddel
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen een week na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.
Artikel 85 VwPro 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 AlgemenePro wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.
De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 2.480.
Aldus gedaan op 23 mei 2012 door mr. H.R. Schimmel, fungerend voorzitter.