ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7213

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 12 / 15033
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 4.17a Vb 2000Art. 50 Vw 2000Art. 59 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige staandehouding vreemdeling leidt tot opheffing bewaring en schadevergoeding

Eiseres, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 25 april 2012 staandegehouden in het kader van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen. Verweerder stelde haar vervolgens in bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank onderzocht de rechtmatigheid van de staandehouding en constateerde dat de processen-verbaal van bevindingen tegenstrijdigheden bevatten over datum, plaats, duur van de controle en aantal stilgehouden voertuigen.

De rechtbank stelde vast dat verweerder niet voldeed aan de verplichting om de relevante feiten en omstandigheden duidelijk en consistent vast te leggen zoals vereist in artikel 3:2 Awb Pro en artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Ondanks meerdere verzoeken gaf verweerder geen adequate verklaring voor de tegenstrijdigheden. Hierdoor kon de rechtbank niet beoordelen of de staandehouding rechtmatig was.

Gelet op deze onrechtmatigheid en het ontbreken van belangen die de bewaring zouden rechtvaardigen, werd de maatregel van bewaring met ingang van 16 mei 2012 opgeheven. Daarnaast kende de rechtbank aan eiseres een schadevergoeding toe van €1.625 voor de dagen in bewaring en veroordeelde verweerder tot vergoeding van de proceskosten. De uitspraak benadrukt het belang van zorgvuldige en transparante vastlegging door bestuursorganen bij belastende besluiten.

Uitkomst: De bewaring van eiseres wordt opgeheven wegens onrechtmatige staandehouding en zij ontvangt een schadevergoeding van €1.625.

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE
Nevenlocatie Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12 / 15033
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2012 in de zaak tussen
[naam eiseres], eiseres
(gemachtigde: mr. P.A.E. Engelen),
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2012 heeft verweerder eiseres op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in bewaring gesteld.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ingevolge het bepaalde in
artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt dit beroep tevens een verzoek tot toekenning van schadevergoeding in.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2012. Eiseres is door middel van telehoren gehoord in het Detentiecentrum te Rotterdam, waar als tolk [naam tolk] aanwezig was. De gemachtigde van eiseres was ter zitting in Roermond aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.F. Verhaegh.
Overwegingen
1. Eiseres is volgens haar verklaring geboren op [geboortedatum] 1973 en van Marokkaanse nationaliteit.
2. Eiseres heeft - kort en zakelijk weergegeven – de rechtmatigheid van de staandehouding bestreden. Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder haar uitzetting onvoldoende voortvarend ter hand neemt en medische klachten aan inbewaringstelling in de weg staan.
3. De rechtbank overweegt met betrekking tot de rechtmatigheid van de staandehouding het volgende.
4. Op 9 mei 2012 heeft verweerder per fax aan de rechtbank en de gemachtigde van eiseres de op de bewaring betrekking hebbende stukken doen toekomen.
Bij deze stukken was een “Proces-verbaal artikel 50 Vw Pro Staandehouding/overbrenging/ophouding” van 25 april 2012 gevoegd. In dit op ambtsbelofte door [D.P.], wachtmeester der Koninklijke Marechaussee, en [M.H.], wachtmeester der eerste klasse der Koninklijke Marechaussee, is – voor zover van belang – het volgende opgenomen.
“Op 25-04-2012, te Eijsden, om 20:00 uur, waren wij, op de openbare auto-/autosnel-/weg; de rijksweg A2/E25 in de gemeente: Eijsden. (..) Op bovengenoemde weg worden regelmatig toezichtcontroles uitgevoerd omdat uit informatie of ervaringsgegevens is gebleken dat via deze route illegaal verblijf en illegale immigratie plaatsvindt. De toezichtcontrole werd uitgevoerd overeenkomstig het gestelde in artikel 4.17a Vreemdelingenbesluit 2000 waarmee is gewaarborgd dat deze controle niet hetzelfde effect heeft als een grenscontrole. In het proces-verbaal van bevindingen toezicht controle op basis van artikel 4.17a Vreemdelingenbesluit 2000 dat als bijlage bij dit proces-verbaal is gevoegd, wordt, voor zover dit van toepassing is op deze controle, inzicht gegeven in de normeringen zoals genoemd in artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000.
(...)
Op 25-04-2012, te 21:45 uur, hebben wij, op de bovengenoemde locatie een toezichtcontrole gehouden omdat uit informatie of ervaringsgegevens is gebleken dat via deze route illegaal verblijf en illegale immigratie plaatsvindt. Tijdens deze toezichtcontrole hebben wij, een persoon als passagier van een personenauto, merk Nissan, type Almera voorzien van het kenteken: [kenteken] uit het land: België staande gehouden op grond van artikel 50 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ter vaststelling van de identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. (..)”
5. Omdat het genoemde het proces-verbaal van bevindingen toezicht controle op basis van artikel 4.17a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) niet als bijlage bij bovenvermeld proces-verbaal was gevoegd, heeft de rechtbank verweerder op 11 mei 2012 verzocht dit ontbrekende proces-verbaal alsnog in te zenden.
6. Bij fax van 14 mei 2012 heeft verweerder een proces-verbaal van bevindingen toezicht controle op basis van artikel 4.17a van het Vb 2000 ingezonden. Dit proces-verbaal is op 14 mei 2012 op ambtseed opgemaakt door [C.H.], wachtmeester der eerste klasse der Koninklijke Marechaussee en hierin is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“[C.H.], Wachtmeester der eerste klasse der Koninklijke Marechaussee, ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, verklaren in aanvulling op het gestelde in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding Mobiel Toezicht Vreemdelingen d.d. 27-04-12, (...) het volgende:
1. dat deze toezichtcontrole is uitgevoerd overeenkomstig het gestelde in artikel 4.17a lid 1 onder e van het Vreemdelingenbesluit 2000 en op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding.
2. dat de openbare weg: de Akerstraat gelegen aan de Duits-Nederlandse grensovergang in Vaals, in de gemeente Eijsden, waar op 27-04-2012, om 20:00 uur de toezichtcontrole en de daarop volgende staandehouding heeft plaatsgevonden is gelegen binnen de zone van twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met Belgie.
3. dat in deze maand tot en met de controle waarbij de vreemdeling is staande gehouden op deze weg één of meerdere toezichtcontroles hebben plaatsgevonden voor de totale duur van 5 uur en 00 minuten.
4. dat op deze dag op deze weg één of meerdere toezichtcontroles hebben plaatsgevonden voor de totale duur van 52 uur en 00 minuten.
5. dat tijdens de controle waarbij de vreemdeling is staande gehouden daadwerkelijk 5 vervoermiddel(en) zijn stilgehouden. Het betreft hier een deel van het aantal gepasseerde vervoermiddelen.
6. dat de uitvoering van deze controle en de daaruit voortvloeiende zaken zijn geregistreerd in het Vreemdelingen Basis Systeem dat bij de Koninklijke Marechaussee in gebruik als bedrijfsprocessensysteem. (..)”
7. De rechtbank heeft vervolgens geconstateerd dat het proces-verbaal van staandehouding van 25 april 2012 en de aanvulling hierop van 14 mei 2012 niet met elkaar in overeenstemming zijn. Zo vermeldt de aanvulling een andere controleplaats en een andere datum waarop de controle heeft plaatsgevonden. Voorts is de opgegeven controleduur in de betreffende maand en op de controledag in het proces verbaal van
25 april 2012 evident onjuist. Uit het proces verbaal van 25 april 2012 was voorts af te leiden dat eiseres was staande gehouden door [D.P.] en [M.H.], terwijl uit dat van 14 mei 2012 was af te leiden dat [C.H.] eiseres had staandegehouden. Vervolgens heeft de rechtbank op 14 mei 2012 de vertegenwoordiger van verweerder telefonisch op de hoogte gesteld van deze tegenstrijdigheden en onduidelijkheden en verzocht om opheldering.
8. Bij fax van 15 mei 2012 heeft de rechtbank een aanvullend proces-verbaal (“Ter aanvulling op proces-verbaal: Proces-Verbaal van bevindingen toezicht controle o.b.v. artikel 4.17a VB 2000”) ontvangen. Dit proces-verbaal is op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt op 14 mei 2012 door [C.H.]. In dit proces-verbaal is – voor zover van belang – het volgende opgenomen.
“Het Proces Verbaal is door mij opgemaakt en niet door de verbalisanten van staande houding omdat deze verbalisanten niet op dienst waren.
De benodigde informatie met betrekking tot de urenregistratie is te verkrijgen via het Brigade Informatie Knooppunt (BIK). Derhalve kan volgens het BIK elke verbalisant dit proces verbaal opmaken.
Abusievelijk in deze de verkeerde dag in het proces verbaal opgenomen namelijk 27 april 2012 dit moet zijn 25 april 2012.
Betrokkene is staande gehouden op de lokatie: Rijksweg A2 gelegen in de Gemeente Eijsden.
Er is op die dag 1:45 uur gecontroleerd op bovengenoemde lokatie.
In totaal werd er in deze maand 52 uur gecontroleerd op bovengenoemde lokatie.
In totaal werden 7 voertuigen gecontroleerd.”
9. De rechtbank overweegt als volgt.
10. Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd, hetzij op grond van feiten en omstandigheden die, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden van illegaal verblijf opleveren hetzij ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding, personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie.
11. Ingevolge artikel 4.17a, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 wordt de bevoegdheid, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000, om ter bestrijding van illegaal verblijf na grensoverschrijding personen staande te houden ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie, uitsluitend uitgeoefend in het kader van toezicht op vreemdelingen op wegen en vaarwegen in een gebied tot twintig kilometer vanaf de gemeenschappelijke landgrens met België of Duitsland. Blijkens het tweede lid wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, uitgevoerd op basis van informatie of ervaringsgegevens over illegaal verblijf na grensoverschrijding. Het toezicht kan daarnaast in beperkte mate worden uitgevoerd met het oog op het verkrijgen van informatie over dergelijk illegaal verblijf. Ingevolge het vijfde lid, wordt het toezicht, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, op eenzelfde weg of vaarweg ten hoogste negentig uur per maand en ten hoogste zes uur per dag uitgevoerd. In het kader van dit toezicht wordt slechts een deel van de passerende vervoermiddelen stilgehouden.
12. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 15 februari 2010 (in zaak nr. 201000135/1/V3, www.raadvanstate.nl) geoordeeld dat het voor de vaststelling of sprake is van een rechtmatige staandehouding krachtens de Vw 2000 van belang is dat in het betreffende proces-verbaal niet slechts melding wordt gemaakt van de grond van de staandehouding, maar tevens inzicht wordt verschaft in de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de staandehouding. Immers kan alleen dan beoordeeld worden of ten aanzien van een vreemdeling een redelijk vermoeden van illegaal verblijf is gerezen.
13. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de feiten en omstandigheden, weergegeven in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding van 25 april 2012, bezien in samenhang met hetgeen in de processen-verbaal van bevindingen van 14 mei 2012 is vermeld, dat de staandehouding van eiseres heeft plaatsgevonden na een krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000 gehouden controle in het kader van het Mobiel Toezicht Vreemdelingen. De rechtbank is echter van oordeel dat in de processen-verbaal van bevindingen niet in voldoende mate inzicht is gegeven in de vraag of is voldaan aan de normering, zoals die in artikel 4.17a, van het Vb 2000 is vastgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de aanvullende processen-verbaal op diverse punten volstrekt tegenstrijdig aan elkaar zijn (datum en plaats van de staandehouding, totale controleduur in de maand april 2012 en op de dag van de staandehouding, aantal stilgehouden voertuigen). Voorts is niet gebleken dat het tweede aanvullende proces-verbaal van 14 mei 2012 ter vervanging dient van het eerste aanvullende proces-verbaal van 14 mei 2012. De inhoud van het eerste aanvullende proces-verbaal wordt immers door de betreffende verbalisant in het tweede aanvullende proces-verbaal, behoudens de datum waarop de controle heeft plaatsgevonden, niet teruggenomen. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van verweerder behoudens de enkele stelling dat de verbalisant in zijn haast wellicht slordig is geweest, geen verklaring gegeven voor de tegenstrijdigheden noch over de in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden.
14. Het bestreden besluit is dan ook in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu de relevante feiten en omstandigheden niet vastgesteld kunnen worden kan de rechtbank niet oordelen over de vraag of verweerder de waarborgen van artikel 4.17a van het Vb 2000 in acht heeft genomen. De vermelding in de processen-verbaal, dat de controle is uitgevoerd conform artikel 4.17a van het Vb 2000 is niet relevant aangezien dat een rechtsoordeel betreft dat is voorbehouden aan de rechtbank.
15. Nu de rechtbank verweerder twee maal in de gelegenheid heeft gesteld om inzichtelijk te maken dat aan genoemde waarborgen is voldaan, heeft de rechtbank, mede gelet op de steeds groter wordende mate van onduidelijkheid, geen aanleiding gezien om het onderzoek te schorsen om verweerder nogmaals in de gelegenheid te stellen om een aanvullend proces-verbaal in te dienen. In het licht van de herhaalde vragen die de rechtbank voorafgaand aan de zitting heeft gesteld, had het op de weg van verweerder gelegen uiterlijk tijdens de zitting duidelijkheid te verschaffen en de tegenstrijdigheden te verklaren. Dat heeft verweerder echter nagelaten.
16. In dit verband overweegt de rechtbank dat artikel 3:2 van Pro de Awb met zich brengt dat een behoorlijk handelend bestuursorgaan aangeeft welke relevante feiten en omstandigheden aan een besluit ten grondslag liggen. Verweerder had na de vaststelling van verschillende tegenstrijdigheden in de processen-verbaal een onderzoek moeten instellen naar het juiste relevante feitencomplex en naar de diverse tegenstrijdigheden. De verplichting van verweerder om het feitencomplex juist en volledig vast te stellen, geldt te meer voor verweerder in een situatie als de onderhavige waarin sprake is van een belastend besluit waarmee eiseres in bewaring is gesteld. Verweerder heeft dat evenwel nagelaten. Voorafgaand noch tijdens de zitting heeft verweerder duidelijkheid verschaft over de feiten en omstandigheden die ten grondslag hebben gelegen aan de staandehouding.
17. Het beroep is reeds op grond van het voorgaande gegrond. De maatregel van bewaring dient met ingang van heden, 16 mei 2012, te worden opgeheven. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder geen belangen heeft gesteld op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de onrechtmatigheid van de staandehouding van eiseres geen gevolgen zou hebben voor de rechtmatigheid van de bewaring. Voorts heeft de rechtbank in overweging genomen dat, gezien de tegenstrijdige processen-verbaal, sprake is van het onjuist voorlichten van de rechtbank en de wederpartij over een voor de beoordeling van de aan de orde zijnde zaak relevant aspect. Dit klemt aangezien het gaat om verklaringen die op ambtseed zijn opgemaakt zodat daaraan groot gewicht wordt toegekend. De rechtbank acht dit een schending van fundamentele rechtsbeginselen en eens te meer een reden de maatregel van bewaring van meet af aan voor onrechtmatig te houden. Gelet hierop is de maatregel van bewaring bij afweging van de daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd te achten.
18. Ingevolge artikel 106, eerste lid van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de bewaring beveelt aan de vreemdeling een schadevergoeding toekennen.
19. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden om aan eiseres ten laste van verweerder een schadevergoeding toe te kennen van € 105,= voor de dag dat de bewaring in een politiecel ten uitvoer is gelegd en € 80,= voor de dagen (19) dat de bewaring in een huis van bewaring ten uitvoer is gelegd. Dit betekent dat eiseres een schadevergoeding van € 1.625,= toekomt.
20. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.
21. De proceskosten wegens verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,=.
22. Omdat aan eiseres voor het beroep een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder het bedrag van de kosten aan de griffier van de rechtbank betalen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de inbewaringstelling van eiseres met ingang van 16 mei 2012;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe ten laste van verweerder tot een bedrag van € 1.625,=;
- bepaalt dat de uitbetaling geschiedt door de griffier van de rechtbank;
- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres in totaal begroot op € 874,= (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.
w.g. mr. D.D.R.H. Lechanteur,
griffier w.g. mr. B.J. Zippelius,
rechter
Voor eensluidend afschrift:
de griffier:
Voornoemd lid van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van
€ 1.625,= (ZEGGE: ZESTIENHONDERDVIJFENTWINTIG EURO).
Afschrift verzonden aan partijen op: 16 mei 2012
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.