ECLI:NL:RBSGR:2012:BX0574
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op verwijdering binnen redelijke termijn
Eiser, afkomstig uit Zuid-Somalië, werd op 5 juni 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld wegens het vermoeden dat hij zich aan verwijdering zou onttrekken. Tijdens de procedure bleek dat na een geannuleerde vlucht op 24 april 2012 geen verwijderingen gepland stonden en dat de laatste gedwongen uitzetting in september 2010 had plaatsgevonden. Verweerders gemachtigde gaf aan dat er geen concrete afspraken waren over verwijdering naar Centraal- of Zuid-Somalië en dat ook per individu veel afspraken gemaakt moesten worden.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet aan zijn vertrekplicht had voldaan en onvoldoende middelen van bestaan had. Verweerder achtte een lichter middel dan bewaring niet passend, mede omdat eiser niet vrijwillig wilde terugkeren. Hoewel er een Memorandum of Understanding was bekrachtigd, ontbrak het aan zicht op daadwerkelijke verwijdering binnen een redelijke termijn.
Op 20 juni 2012 werd de bewaring opgeheven na een interim measure van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig was wegens het ontbreken van zicht op verwijdering binnen een redelijke termijn. Daarom werd eiser een schadevergoeding van €1.225 toegekend voor de periode van vijftien dagen bewaring. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was wegens ontbreken van zicht op verwijdering binnen redelijke termijn en kent een schadevergoeding van €1.225 toe.