ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1745

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
395006 - HA RK 11-313
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap 1892Art. 2 lid 1 Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteitenArt. 3 Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteitenArt. 6 lid 1 Rijkswet op het Nederlanderschap (oud)Art. 27 lid 2 Rijkswet op het Nederlanderschap (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlandse nationaliteit ondanks bezit Nederlands paspoort

Verzoeksters, een moeder en haar minderjarige dochter, vroegen de rechtbank om vast te stellen dat zij sinds 15 februari 2002 de Nederlandse nationaliteit bezitten, mede op grond van het bezit van Nederlandse paspoorten die in 2002 en 2007 door de Nederlandse ambassade in Paramaribo zijn afgegeven.

De rechtbank stelde vast dat de moeder bij haar geboorte weliswaar de Nederlandse nationaliteit had, maar deze verloor door het verkrijgen van de Surinaamse nationaliteit in 1975. De dochter volgde de nationaliteit van haar vader en verloor daarmee eveneens de Nederlandse nationaliteit. De optieverklaring die in 1987 namens de dochter door de moeder zou zijn afgelegd, bleek vals of vervalst, wat werd bevestigd door navraag bij de gemeente Arnhem en de Nederlandse ambassade.

Daarnaast kon de optie op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (oud) niet rechtsgeldig zijn, omdat de moeder destijds niet de Nederlandse nationaliteit bezat en de dochter minderjarig was en niet voldeed aan de woonplaatsvereisten. De rechtbank concludeerde daarom dat het bezit van een Nederlands paspoort niet leidde tot verkrijging van de Nederlandse nationaliteit en wees het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek om vast te stellen dat verzoeksters sinds 2002 de Nederlandse nationaliteit bezitten wordt afgewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
zaaknummer / rekestnummer: 395006 / HA RK 11-313
Beschikking van 7 juni 2012
in de zaak van
1. [verzoekster sub 1],
en haar ten tijde van de indiening van het verzoekschrift nog minderjarige dochter
2. [verzoekster sub 2],
beiden ten tijde van het indienen van het verzoekschrift wonende te [woonplaats],
verzoeksters,
advocaat mr. R.M. Prins te Rotterdam,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Immigratie- en Naturalisatiedienst),
zetelende te Den Haag,
belanghebbende,
vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.
Partijen worden hierna aangeduid met '[verzoekster sub 1]' '[kind van verzoekster]' en 'IND'.
1.De procedure
1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 24 mei 2011 ingekomen verzoekschrift;
- de brieven van mr. Prins van 26 augustus 2011, 1 maart 2012 en 7 mei 2012;
- de brieven van de IND van 21 juli 2011, 7 februari 2012, 26 april 2012 en 8 mei 2012.
1.2.De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 april 2012. Namens verzoeksters is mr. M.S. Krol, advocaat te Rotterdam, verschenen, vergezeld van
mr. P. Chedie. Namens de IND is mr. Meijer verschenen. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling.
2.De feiten
2.1.[verzoekster sub 1] is op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] (Suriname) geboren als dochter van [vader van verzoekster] en [moeder van verzoekster]. Op 25 november 1975 verbleef zij met haar ouders in Suriname. Op 10 juli 1993 is [kind van verzoekster] te [geboorteplaats] geboren als dochter van [verzoekster sub 1] en haar echtgenoot [A].
2.2.Op 15 februari 2002 en 20 april 2007 werden aan verzoeksters door de Nederlandse ambassade te Paramaribo Nederlandse paspoorten afgegeven.
2.3.Op 27 april 2011 heeft [verzoekster sub 1] zich, mede namens [kind van verzoekster], bij de gemeente Rotterdam gemeld voor de eerste inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie. Op basis van overgelegde paspoorten zijn verzoeksters ingeschreven met de Nederlandse nationaliteit. Bij beschikking van 18 mei 2011 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam besloten om bij de Nederlandse nationaliteit van verzoeksters de aantekening 'onjuist' te plaatsen.
3.Het verzoek
3.1.Verzoeksters verzoeken de rechtbank vast te stellen dat zij (naar de rechtbank aanneemt beiden) sinds 15 februari 2002 de Nederlandse nationaliteit bezitten. Zij voeren daartoe aan dat zij in het bezit zijn van een Nederlands paspoort, voor het eerst afgegeven op 15 februari 2002 door de Nederlandse ambassade te Paramaribo.
3.2.Voorts voeren zij aan dat [verzoekster sub 1] in 1987 met haar moeder vanuit Suriname naar Nederland is gekomen en dat zij verbleven in het pension "Huize Irma" te Arnhem. De moeder heeft op 6 april 1987 in de gemeente Arnhem namens [verzoekster sub 1] geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit. Op basis van deze optieverklaring heeft de Nederlandse ambassade te Paramaribo op 15 februari 2002 een Nederlands paspoort afgegeven aan verzoeksters.
4.Het standpunt van de IND en van de officier van justitie
4.1.De IND stelt zich op het standpunt dat verzoeksters niet in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit, aangezien de kennisgeving op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), die op 6 april 1987 ten behoeve van [verzoekster sub 1] door haar moeder zou zijn afgelegd, niet authentiek is. Overigens merkt de IND op dat een optie op grond van artikel 6, lid 1 aanhef en onder a, RWN (oud) in persoon door een meerderjarige vreemdeling diende te worden afgelegd. [verzoekster sub 1] was in 1987 nog minderjarig en heeft de optie niet in persoon afgelegd. Een optie op grond van artikel 27, lid 2, RWN (oud) kan geen rechtsgevolg hebben aangezien de moeder van [verzoekster sub 1] op 6 april 1987 niet in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit.
4.2.De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven zich aan te sluiten bij het standpunt van de IND.
5.De beoordeling
5.1.[verzoekster sub 1] verkreeg bij haar geboorte door afstamming op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap 1892 de Nederlandse nationaliteit. Op 25 november 1975 verkregen de beide ouders van [verzoekster sub 1] op grond van het bepaalde in artikel 3 van Pro de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten, gesloten tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname (TOS), door hun verblijf in Suriname, de Surinaamse nationaliteit. Zij verloren daardoor op grond van artikel 2, lid 1, TOS de Nederlandse nationaliteit. [verzoekster sub 1] volgde als minderjarige op grond van artikel 6, lid 1, TOS de nationaliteit van haar vader. Zij verkreeg daardoor de Surinaamse nationaliteit en verloor (op grond van artikel 2, lid 1, TOS) de Nederlandse nationaliteit.
5.2.In het verzoekschrift stellen verzoeksters dat zij vanaf 15 februari 2002 in het bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit, omdat op die datum voor het eerst een Nederlands paspoort aan hen is afgegeven. Deze stelling gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op nu de wijzen waarop de Nederlandse nationaliteit kan worden verkregen limitatief in de RWN genoemd staan en het verkrijgen van een Nederlands paspoort daaronder niet is begrepen.
5.3.Met betrekking tot de kennisgeving op grond van de RWN, gedaan ten overstaan van een ambtenaar van de gemeente Arnhem op 6 april 1987, overweegt de rechtbank als volgt. Volgens die kennisgeving heeft [moeder van verzoekster] namens haar dochter [verzoekster sub 1] geopteerd voor de Nederlandse nationaliteit. Navraag door de IND bij de gemeente Arnhem heeft echter opgeleverd dat [moeder van verzoekster] niet ingeschreven is geweest in de gemeente Arnhem. Voorts is de optieverklaring niet bekend in het nationaliteitenregister en niet in het archief van de gemeente Arnhem. Uit een mededeling van het vestigingsregister van de gemeente Den Haag blijkt dat er geen persoonskaarten van de ouders van [verzoekster sub 1] beschikbaar zijn. Daaruit kan, zoals de IND terecht stelt, worden afgeleid dat de ouders niet voor 1994 in Nederland ingeschreven zijn geweest. Uit een door de IND overgelegde e-mailwisseling met de Nederlandse ambassade te Paramaribo blijkt dat het Hoofd Consulaire Zaken van die ambassade heeft vastgesteld dat de optieverklaring vals/vervalst is en verzoeksters ten onrechte in het bezit zijn gesteld van een Nederlands paspoort. Uit één en ander is naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast komen te staan dat de optieverklaring van 6 april 1987 - waarvan alleen een kopie beschikbaar is - vals dan wel vervalst is. Gevolg hiervan is dat [verzoekster sub 1] niet naar aanleiding van die optieverklaring in het bezit is gekomen van de Nederlandse nationaliteit. [kind van verzoekster] heeft hierdoor, als dochter van [verzoekster sub 1], evenmin de Nederlandse nationaliteit verkregen.
5.4.Daar komt bij dat, ook indien niet gesteld kan worden dat de optieverklaring vals of vervalst is, er geen sprake kan zijn van verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door verzoeksters. De optieverklaring verwijst naar de artikelen 6 en 27 RWN(oud). Een optie op grond van artikel 6, lid 1 aanhef en onder a, RWN (oud) kan alleen worden afgelegd door een meerderjarige vreemdeling die is geboren in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba en die aldaar sedert zijn geboorte woonplaats of werkelijk verblijf heeft. Dit gaat voor [verzoekster sub 1] niet op. Zij was op 6 april 1987 immers nog niet meerderjarig en had niet sedert haar geboorte woonplaats of werkelijk verblijf in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba. Een optieverklaring op grond van artikel 27, lid 2, RWN (oud) was voor [verzoekster sub 1] eveneens niet mogelijk, aangezien niet is gebleken dat haar moeder op 6 april 1987 in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit.
5.5.Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.
6.De beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. Paris, mr. M.E. Groeneveld-Stubbe en mr. C.W. de Wit en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2012.