ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1747

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
322145 - HA RK 08-1088
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RWNArt. 4 RWN (oud)Art. 26 Internationaal Verdrag Burgerlijke en Politieke RechtenArt. 2 Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvraag Nederlandse nationaliteit na postnatale erkenning en verzoek tot DNA-onderzoek

Verzoekster, geboren in 1990 in Suriname met de Surinaamse nationaliteit, is in 2004 postnataal erkend door een Nederlander. Zij verzoekt de rechtbank vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit op grond van deze erkenning en gerechtelijk bewijs van verwekkerschap.

De Rijkswet op het Nederlanderschap maakt onderscheid tussen kinderen die bij geboorte in familierechtelijke relatie tot de vader staan en postnataal erkende kinderen, wat volgens verzoekster discriminatoir zou zijn. De rechtbank oordeelt dat dit onderscheid niet discriminerend is en geen strijd oplevert met internationale verdragen.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie waarin is bepaald dat postnatale erkenning in combinatie met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap gelijkgesteld kan worden aan gerechtelijke vaststelling van vaderschap. Hoewel de erkenning tijdens minderjarigheid heeft plaatsgevonden, ontbreekt het gerechtelijk bewijs nog.

Verzoekster is bereid DNA-onderzoek te ondergaan om het vaderschap aan te tonen. De rechtbank houdt de beslissing pro forma aan tot 1 augustus 2012 om dit onderzoek te laten plaatsvinden. Indien geen DNA-bewijs wordt overgelegd, zal het verzoek worden afgewezen.

Uitkomst: De beslissing op het verzoek tot vaststelling van de Nederlandse nationaliteit wordt aangehouden tot 1 augustus 2012 voor DNA-onderzoek ter vaststelling van het vaderschap.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
zaaknummer / rekestnummer: 322145 / HA RK 08-1088
Beschikking van 8 juni 2012
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats], Suriname,
verzoekster,
advocaat mr. H.K. Jap-A-Joe te Utrecht,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Immigratie- en Naturalisatiedienst),
zetelende te Den Haag,
belanghebbende,
vertegenwoordigd door mr. C.J. Cappon.
Verzoekster wordt hierna aangeduid met '[verzoekster]' en belanghebbende met 'IND'.
1.De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 23 oktober 2008 ingekomen verzoekschrift;
- de brieven van mr. Jap-A-Joe van 5 januari 2009, 6 april 2011 en 30 mei 2012;
- de brieven van de IND van 25 november 2008, 29 januari 2009 en 17 april 2012;
- de brief van de officier van justitie van 25 april 2012.
2.Het verzoek
[verzoekster] verzoekt de rechtbank vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. Zij voert daartoe aan dat zij bij haar geboorte op [geboortedatum] 1990 de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen en dat zij op 20 februari 2004 door een Nederlander is erkend. Zij is bereid mee te werken aan een DNA-onderzoek dat gerechtelijk bewijs zal opleveren aangaande het verwekkerschap van de erkenner. [verzoekster] verzoekt de rechtbank recht te doen op de stukken. Een mondelinge behandeling van de zaak kan achterwege blijven.
3.Het standpunt van de IND en van de officier van justitie
3.1.De IND is van mening dat [verzoekster] niet de Nederlandse nationaliteit bezit en dat het verzoek dient te worden afgewezen. Bij de IND bestaat geen behoefte om ter zitting een mondelinge toelichting te geven.
3.2.De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven zich aan te sluiten bij het advies van de IND en geen prijs te stellen op een behandeling van de zaak ter zitting.
4.De beoordeling
4.1.[verzoekster] is geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] (Suriname) als dochter van [moeder van verzoekster], van Surinaamse nationaliteit. Bij haar geboorte verkreeg [verzoekster] op grond van het bepaalde in artikel 3 aanhef Pro en onder c van de Surinaamse nationaliteitswet door afstamming van een Surinaamse moeder de Surinaamse nationaliteit. Op 20 februari 2004 is [verzoekster] voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van Paramaribo erkend door [A], van Nederlandse nationaliteit.
4.2.[verzoekster] voert aan dat er sprake is van discriminatie omdat artikel 3, lid 1, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) een onderscheid maakt tussen uit een huwelijk geboren kinderen en postnataal erkende kinderen. Zij meent dat dit in strijd is met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag Burgerlijke en Politieke Rechten (IVBPRO) en artikel 2 van Pro het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).
4.3.De rechtbank overweegt als volgt. Sinds 1 april 2003 bepaalt de RWN dat er een onderscheid gemaakt dient te worden tussen enerzijds minderjarigen die ten tijde van de geboorte in een familierechtelijke bestrekking staan tot de man die als hun vader geldt, en anderzijds minderjarigen bij wie dat niet het geval is. De rechtbank acht dit niet discriminatoir. Deze bepaling is in de wet opgenomen om schijnerkenning tegen te gaan. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank geen strijd op met de artikelen 26 IVBPRO en 2 IVRK. De heer [A] had immers alle vrijheid om vóór de geboorte van [verzoekster] over te gaan tot haar erkenning. Het feit dat hij dit heeft nagelaten en pas ruim 13 jaar ná de geboorte van [verzoekster] is overgegaan tot erkenning levert geen discriminatie en/of strijd op met één van genoemde verdragen.
4.4.Op grond van artikel 4, lid 1, RWN(oud) kon [verzoekster] in de periode van 1 april 2003 tot 1 maart 2009 de Nederlandse nationaliteit verkrijgen indien het vaderschap van [A] gerechtelijk wordt vastgesteld. Bij uitspraak van 26 januari 2007 (NJ 2007,73) heeft de Hoge Raad bepaald dat postnatale erkenning in combinatie met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap met het oog op toepassing van artikel 4 RWN Pro(oud) gelijkgesteld kan worden met de hiervoor bedoelde gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Ouders kunnen als gevolg daarvan toegelaten worden te bewijzen dat de vader de verwekker van het kind is. Indien dit komt vast te staan verkrijgt het kind met ingang van de in artikel 4 RWN Pro(oud) bedoelde datum het Nederlanderschap.
4.5.In genoemd artikel 4 RWN Pro(oud) was geen sprake van een erkenning, maar van een vaderschap dat gerechtelijk moet zijn vastgesteld bij uitspraak in eerste aanleg gewezen ten tijde van de minderjarigheid van betrokkene. In casu heeft de postnatale erkenning plaats gevonden tijdens de minderjarigheid van [verzoekster], maar is het gerechtelijk bewijs van verwekkerschap nog niet geleverd. De rechtbank is van oordeel dat voor de hiervoor bedoelde gelijkstelling in elk geval noodzakelijk is dat de erkenning tijdens de minderjarigheid heeft plaats gevonden. Het gerechtelijk bewijs van verwekkerschap kan vervolgens nog geleverd worden tijdens de meerderjarigheid van [verzoekster]. Daarmee wordt immers slechts vastgesteld dat de erkenning, die tijdig plaatsvond, geen schijnerkenning was.
4.6.[verzoekster] heeft aangegeven bereid te zijn mee te werken aan een DNA-onderzoek. De IND heeft mr. Jap-A-Joe bij brief van 29 januari 2009 geïnformeerd over de te volgen procedure voor afname van DNA-materiaal in Suriname. De rechtbank heeft, ondanks een aantal rappellen, van mr. Jap-A-Joe niet vernomen dat een dergelijk DNA-onderzoek inmiddels heeft plaatsgevonden. De beslissing op het verzoekschrift zal, gelet op het vorenstaande, pro forma worden aangehouden tot 1 augustus 2012 om [verzoekster] in de gelegenheid te stellen door middel van DNA-onderzoek aan te tonen dat [A] haar biologische vader is. Het onderzoek dient plaats te vinden op de wijze zoals omschreven in de brief van de IND van 29 januari 2009. Indien de rechtbank op 1 augustus 2012 geen bericht van mr. Jap-A-Joe heeft ontvangen, zal de rechtbank aannemen dat [verzoekster] afziet van het overleggen van DNA bewijs.
5.De beslissing
De rechtbank houdt de beslissing op het verzoekschrift pro forma aan tot 1 augustus 2012 om [verzoekster] in de gelegenheid te stellen door middel van DNA-onderzoek het biologisch vaderschap van [A] aan te tonen.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2012.