ECLI:NL:RBSGR:2012:BX2023
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opzegging duurovereenkomst van opdracht met geschil over opzegtermijn en schadevergoeding
In deze zaak staat centraal of de duurovereenkomst tussen [A] en [B], een overeenkomst van opdracht, rechtsgeldig is beëindigd en of daarbij een redelijke opzegtermijn in acht is genomen. [A] stelde dat de overeenkomst met wederzijds goedvinden op 30 oktober 2009 is beëindigd, terwijl [B] betwistte dat en stelde dat [A] de overeenkomst eenzijdig heeft opgezegd.
De rechtbank heeft vier getuigen gehoord over het gesprek van 30 oktober 2009, maar concludeerde dat [A] niet voldoende bewijs heeft geleverd voor haar stelling van wederzijds goedvinden. De opzegging door [A] werd daarom als eenzijdig beoordeeld. De rechtbank verwierp het verweer dat de overeenkomst niet opzegbaar was of alleen op grond van zwaarwegende redenen kon worden opgezegd.
Omdat geen opzegtermijn was overeengekomen, bepaalde de rechtbank dat een redelijke opzegtermijn van twee maanden geldt, gelet op de duur van de relatie en de omstandigheden. [A] had deze termijn niet in acht genomen, waardoor zij tekort is geschoten en schadevergoeding aan [B] verschuldigd is.
Verder was er een geschil over facturen en verrekeningen, waaronder een bedrag van €14.747,29 voor de uitlening van een werknemer en een boete van de arbeidsinspectie. De rechtbank wees de vordering van [B] tot betaling van €74.500,-- plus rente toe als schadevergoeding wegens niet-naleving van de opzegtermijn en ook het bedrag van €14.747,20 plus rente wegens onbetaalde facturen. De vordering met betrekking tot de boete werd afgewezen.
De proceskosten werden gecompenseerd zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De overeenkomst is rechtsgeldig opgezegd per 1 januari 2010 met een redelijke opzegtermijn van twee maanden, waardoor [A] schadevergoeding aan [B] moet betalen.