ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3105
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing bewaring vreemdeling na twaalf maanden vanwege onvoldoende voortvarendheid verwijdering
Eiser, een Afghaanse vreemdeling, is op 4 juli 2011 in bewaring gesteld wegens voorgenomen verwijdering. Na twaalf maanden voortduren van deze maatregel heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de voortzetting van de bewaring en schadevergoeding gevorderd. De rechtbank beoordeelt of het voortduren van de bewaring sinds het sluiten van het vooronderzoek op 14 juni 2012 rechtmatig is.
De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende meewerkt aan zijn verwijdering, onder meer door geen pogingen te doen om documenten te verkrijgen die zijn identiteit bevestigen. Verweerder heeft regelmatig vertrekgesprekken gevoerd en een traject ingezet met Bureau Bijzonder Vertrek om verwijdering via een EU-staat mogelijk te maken. Desondanks is het traject laat gestart en is onvoldoende voortvarendheid gebleken.
Gelet op artikel 59, zesde lid, van de Vreemdelingencirculaire 2000 dient na zes maanden een belangenafweging plaats te vinden waarbij het belang van de vreemdeling bij vrijlating zwaarder weegt naarmate de bewaring langer duurt. De rechtbank concludeert dat het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld zwaarder weegt dan het belang van verweerder bij voortzetting van de bewaring. Daarom beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel per 4 juli 2012 en kent eiser een schadevergoeding toe van €840 wegens onrechtmatige bewaring. Tevens worden proceskosten aan eiser toegekend.
Uitkomst: Bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid na twaalf maanden en een schadevergoeding van €840 wordt toegekend.