ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3440

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
18 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 12/1012
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 WwbArt. 58 WwbArt. 53a WwbArt. 65 AbwArt. 17 Wwb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens gebruik valse identiteit bij verblijfsvergunning en Nederlanderschap

Eiseres ontving in de periode van 1997 tot 2009 bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en later de Wet werk en bijstand (Wwb). Verweerder trok het recht op bijstand in en vorderde een bedrag van ruim €148.000 terug omdat eiseres gebruik had gemaakt van een valse identiteit bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning en het Nederlanderschap.

De rechtbank stelt vast dat eiseres niet haar werkelijke identiteit heeft opgegeven, waardoor zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden. Zij behoorde ten tijde van de bijstand niet tot de kring van rechthebbenden omdat zij geen rechtmatig verblijf had. Het standpunt van eiseres dat verweerder geen oordeel mag vellen zolang de Immigratie- en Naturalisatiedienst zich niet heeft uitgesproken, wordt verworpen omdat verweerder een zelfstandige onderzoeksbevoegdheid heeft.

Verweerder handelde binnen zijn bevoegdheid op grond van de Wwb om het recht op bijstand te herzien en terug te vorderen. De rechtbank oordeelt dat het beleid van verweerder niet onredelijk is en ziet geen reden om terugvordering geheel of gedeeltelijk te matigen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
zaaknummer: AWB 12/1012
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2012 in de zaak tussen
[eiseres], te [plaats],
(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en
het college van burgemeester en wethouders van Delft, verweerder
(gemachtigde: mr. W.S. van Tricht).
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (Wwb) over de periode van 24 april 1997 tot en met 12 augustus 2007 en van 25 december 2008 tot en met 31 januari 2009 ingetrokken en van eiseres een bruto bedrag van € 151.322,43 aan bijstand teruggevorderd.
Bij besluit van 30 mei 2011 heeft verweerder de periode waarover het recht op bijstand is ingetrokken teruggebracht tot 1 juli 1997 tot en met 12 augustus 2007 en van 25 december 2008 tot en met 31 januari 2009. Het bedrag dat van eiseres is teruggevorderd is daarbij bepaald op € 148.641,51 bruto.
Het tegen het besluit van 23 mei 2011 gemaakte en mede tegen het besluit van 30 mei 2011 gericht geachte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 22 december 2011 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2012. Daarbij is eiseres verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres ontving in de periode van 25 april 1997 tot en met 6 mei 2003 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden. In de periode van 7 mei 2003 tot en met 12 augustus 2007 en van 25 december 2008 tot en met 31 januari 2009 ontving zij een uitkering ingevolge de Abw en vanaf 1 januari 2004 - toen de Abw is ingetrokken en de Wwb in werking trad - de Wwb naar de norm voor een alleenstaande.
2. Verweerders besluit berust op het standpunt dat eiseres onder valse identiteit ([A]; geboren op [datum] 1968 en gehuwd met [B]) een verblijfsvergunning en de Nederlandse nationaliteit heeft gekregen. Eiseres heet in werkelijkheid [C] (geboren op [datum] 1964 en is de zus van [B]) en had ten tijde van belang geen rechtmatig verblijf in Nederland. Zij behoorde volgens verweerder daarom niet tot de kring van rechthebbenden van bijstand en had daarom geen recht op bijstand.
3. Eiseres heeft betoogd dat verweerder ten onrechte haar recht op bijstand heeft ingetrokken, doch in ieder geval een te hoog bedrag heeft teruggevorderd. Verweerder komt, zolang de verstrekker van verblijfsvergunningen geen oordeel heeft gegeven over de rechtmatigheid van de aan haar verleende vergunning, geen oordeel toe over haar identiteit. Verweerder kan daarom niet beoordelen of eiseres in dit geval haar inlichtingenplicht heeft geschonden. In ieder geval heeft eiseres haar inlichtingenplicht niet geschonden in de periode vanaf dat haar het Nederlanderschap is verleend. Uit de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 oktober 2008 (LJN: BG3290) leidt eiseres a contrario af dat indien appellante in die casus het Nederlanderschap binnen de in geding zijnde periode zou hebben verkregen, verweerder niet had kunnen concluderen dat zij in die periode niet tot de kring van rechthebbenden van bijstand kon worden gerekend.
4. Met ingang van 1 januari 2004 is de Wwb in werking getreden en is de Abw ingetrokken. Vanaf 1 januari 2004 ontleent verweerder aan artikel 54 en Pro artikel 58 van Pro de Wwb zijn bevoegdheid het recht op bijstand te herzien of in te trekken en de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand terug te vorderen. De rechten en verplichtingen van een belanghebbende dienen daarbij in beginsel te worden beoordeeld naar de wetgeving die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben. In dit geval betekent dat wat betreft de inlichtingenverplichting dat in elk geval tot 1 januari 2004 artikel 65, eerste lid, van de Abw van toepassing is gebleven. De rechtbank stelt vast dat verweerder van het juiste wettelijke toetsingskader is uitgegaan.
5. Eiseres heeft in bezwaar noch in beroep de onderzoeksbevindingen van verweerder bestreden en derhalve niet betwist dat zij in werkelijkheid [C] is, geboren op [datum] 1964 te [D] (Irak) en niet [A], geboren op [datum] 1968 te [D] (Irak). Eiseres heeft aan verweerder geen mededeling gedaan van haar werkelijke identiteit. Daarmee is zij de op haar ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, van de Wwb rustende inlichtingenplicht niet nagekomen, waardoor in de periode in geding ten onrechte bijstand is verleend op naam van [A]. [C] behoorde ten tijde van belang niet tot de kring van rechthebbenden van bijstand, omdat zij geen rechtmatig verblijf in Nederland had, zodat zij geen aansprak had op een bijstandsuitkering. Niet aannemelijk is geworden dat eiseres, wanneer zij de inlichtingenplicht wel naar behoren zou zijn nagekomen, een te honoreren aanspraak op bijstand zou hebben gehad.
6. Het standpunt van eiseres dat verweerder geen oordeel toekomt over haar identiteit zolang de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) zich niet heeft uitgesproken over de rechtmatigheid van de aan haar verleende verblijfsvergunning en het Nederlanderschap, deelt de rechtbank niet. Ingevolge artikel 53a, tweede lid, van de Wwb heeft verweerder een zelfstandige onderzoeksbevoegdheid naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan verweerder besluiten tot herziening van de bijstand. Er bestaat geen grond voor haar standpunt dat, zolang de IND geen uitspraak heeft gedaan over de rechtmatigheid van de verblijfsvergunning en het Nederlanderschap, recht zou bestaan op bijstand ingevolge de Wwb. De door eiseres aangehaalde uitspraak van de CRvB van 28 oktober 2008 (LJN: BG3290) biedt daarvoor naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten.
7. Met het voorgaande is gegeven dat verweerder ingevolge artikel 54, derde lid en onder a, van de Wwb bevoegd was het recht op bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 12 augustus 2007 en van 25 december 2008 tot en met 31 januari 2009 in te trekken.
8. Doordat er in de genoemde periode ten onrechte of te veel bijstand is verleend mocht verweerder ingevolge artikel 58, eerste lid, en onder a, van de Wwb het ten onrechte of te veel betaalde van eiseres terugvorderen. Verweerder heeft in overeenstemming met zijn, door de CRvB niet onredelijk geachte, beleid tot intrekking van bijstand besloten. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.
9. Het beroep is ongegrond.
10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Koper, voorzitter, mr. D. Aarts en mr. A. Douwes, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2012.
griffier rechter
Afschrift verzonden naar partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.