ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3655

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 juli 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
419842 FA RK 12-3869
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 282a RvArt. 3 Wet griffierechten burgerlijke zaken
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bij te late betaling griffierecht in echtscheidingsprocedure

Verzoekers dienden een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding in, waarbij zij griffierecht verschuldigd waren. De rechtbank stuurde twee nota's voor de betaling, elk voor de helft van het griffierecht. Verzoekers betaalden de helft tijdig, maar de tweede helft te laat.

De advocaat van verzoekers voerde aan dat de late betaling verschoonbaar was vanwege verwarring over de nota's die hetzelfde kenmerk droegen, en dat toepassing van artikel 282a lid 4 Rv (hardheidsclausule) disproportioneel en onbillijk zou zijn. De rechtbank oordeelde dat deze argumenten niet tot verschoonbaarheid leidden, omdat de nota's logisch hetzelfde kenmerk hadden en de advocaat had moeten weten dat het om twee nota's ging.

De rechtbank vond geen andere gronden voor onbillijkheid van overwegende aard en verklaarde verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot echtscheiding. De beschikking werd uitgesproken door rechter I.D. Bellaart op 24 juli 2012.

Uitkomst: Verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betaling van het griffierecht ondanks beroep op de hardheidsclausule.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 12-3869
Zaaknummer: 419842
Datum beschikking: 24 juli 2012
Scheiding
Beschikking op het op 22 mei 2012 ingekomen gemeenschappelijk verzoek van:
[de vrouw],
de vrouw,
wonende te [woonplaats vrouw],
advocaat: mr. B. Akim Onyeisiagha te 's-Gravenhage,
en
[de man],
de man,
wonende te [woonplaats man],
advocaat: mr. B. Akim Onyeisiagha te 's-Gravenhage.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van het verzoekschrift;
De griffie heeft de ontvangst van het verzoekschrift bij schrijven d.d. 25 mei 2012 bevestigd.
Gelet op artikel 3, vierde lid, van de Wet griffierechten burgerlijke zaken zijn verzoekers griffierecht verschuldigd vanaf de indiening van het verzoekschrift en dienen zij ervoor te zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de behandeling plaatsvindt dan wel ter griffie is gestort.
Op 30 mei 2012 zijn twee gelijkluidende nota's, ieder voor de helft van het verschuldigde griffierecht van € 267,--, aan verzoekers gezonden. Hierbij is vermeld dat het bedrag uiterlijk 19 juni 2012 moet zijn betaald.
Op 13 juni 2012 is één van genoemde nota's voldaan door storting van € 133,50 ter griffie.
Bij brief van 27 juni 2012 heeft de griffier verzoekers bericht dat het griffierecht niet of niet tijdig was betaald. Verzoekers zijn daarbij in de gelegenheid gesteld zich binnen twee weken na dagtekening van deze brief schriftelijk en gemotiveerd uit te laten met betrekking tot het geconstateerde verzuim.
Op 28 juni 2012 is wederom € 133,50 ter griffie gestort.
Bij brief van 28 juni 2012, ingekomen ter griffie op 4 juli 2012, heeft de advocaat namens verzoekers gesteld dat het verzuim, bestaande in de te late betaling van de helft van het griffierecht, verschoonbaar is en dat toepassing van artikel 282a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) niet op zijn plaats is, althans disproportioneel en onbillijk (temeer daar een en ander gelet op het belang van één of meer van de partijen bij de toegang tot de rechter zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard). Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd dat de beide nota's die de rechtbank heeft verstuurd hetzelfde kenmerk dragen en inhoudelijk overeenkomen, waardoor hij er abusievelijk van uitging dat het één nota betrof. Deze verwarring is volgens hem het gevolg van de onduidelijkheid van de door de rechtbank verzonden nota's.
Beoordeling
Nu verzoekers het verschuldigde griffierecht niet tijdig hebben voldaan, verklaart de rechter verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 282a, tweede lid, Rv niet-ontvankelijk in het verzoek, tenzij de toepassing van die bepalingen, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter, leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard (artikel 282a, vierde lid, Rv; de hardheidsclausule).
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen verzoekers hebben aangevoerd niet leidt tot verschoonbaarheid van het verzuim. De nota's droegen logischerwijs hetzelfde kenmerk, nu zij betrekking hadden op dezelfde zaak. Bovendien dient de advocaat te weten dat het griffierecht voor een scheidingsverzoek € 267,-- bedraagt, en dat verzoekers die dezelfde advocaat hebben samen maar één keer griffierecht hoeven te betalen (dit is immers in en bij de Wet griffierechten burgerlijke zaken vastgelegd). Hij had dus moeten weten dat het niet ging om één nota maar om twee nota's. Andere gronden op grond waarvan niet-ontvankelijkheid zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard zijn gesteld noch gebleken.
De rechtbank zal verzoekers dus niet-ontvankelijk verklaren.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.D. Bellaart, tevens kinderrechter, bijgestaan door K.D. van den Berg als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2012.