AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Onrechtmatige voortzetting bewaring wegens te laat verlengingsbesluit in vreemdelingenzaak
Eiser werd op 14 september 2011 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring mag volgens het vijfde lid van dit artikel niet langer duren dan zes maanden. Op 13 maart 2012 was deze termijn verstreken, maar verweerder nam geen verlengingsbesluit en hief de bewaring pas op 14 maart 2012 op, een dag te laat. Hierdoor was de voortzetting van de bewaring onrechtmatig.
Eiser had beroep ingesteld tegen de voortzetting van de maatregel en vorderde opheffing en schadevergoeding. De rechtbank oordeelde dat het tijdsverloop tussen het sluiten van het onderzoek en het moment van onrechtmatigheid onvoldoende lang was om een gebrek aan voortvarendheid aan te nemen.
De rechtbank kende op grond van artikel 106 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 een schadevergoeding toe van €80,- voor de onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van de proceskosten van €437,-. De uitspraak werd gedaan door rechter A.J. Dondorp op 12 juni 2012.
Uitkomst: De bewaring was onrechtmatig voortgezet en eiser krijgt een schadevergoeding van €80,- toegekend.
Uitspraak
RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE
Sector bestuursrecht
Zittinghoudende te Amsterdam
zaaknummer: AWB 12/8722 VRONTN
V-nr: [nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
[eiser],
geboren op [1978], van (gestelde) Nigeriaanse nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. A.A. Ubbergen, advocaat te Amsterdam
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,
verweerder,
gemachtigde: mr. D.S. Asarfi, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Procesverloop
Op 14 september 2011 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 in bewaring gesteld.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerdere beroepen tegen de oplegging dan wel voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel ongegrond verklaard.
Bij beroepschrift van 14 maart 2012 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij heeft hij opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd en toekenning van schadevergoeding.
Op 16 maart 2012 heeft verweerder bericht dat de aan eiser opgelegde maaregel met ingang van 14 maart 2012 is opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 31 mei 2012. Eiser noch zijn gemachtigde is met bericht van verhindering verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
Overwegingen
1. Het onderhavige beroep is een vervolgberoep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank dient te beoor¬delen of de voortgezette toepassing daarvan sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige beroepsprocedure gerechtvaardigd is te achten.
2. De rechtbank stelt vast dat verweerder de maatregel op 14 maart 2012 heeft opgeheven omdat, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, er geen verlengingsbesluit was genomen. De rechtbank zal daarom beoordelen of er gronden zijn om schadevergoeding toe te kennen.
3. Bij Wet van 15 december 2011, Stb 663, is de Terugkeerrichtlijn geïmplementeerd met ingang van 31 december 2011. Deze wet bevat geen overgangsrecht. De termijn van de bewaring is daarbij (voorzover hier van belang) als volgt geregeld in het vijfde lid van artikel 59 vanPro de Vw 2000.
-5. Onverminderd het vierde lid duurt de bewaring krachtens het eerste lid niet langer dan zes maanden.
4. Op grond van artikel 59, vijfde lid, van de Vw 2000 kan de bewaring van eiser niet langer duren dan zes maanden na het opleggen van de maatregel van bewaring op 14 september 2011. Op 13 maart 2012 duurde de bewaring zes maanden. Gesteld noch gebleken is dat een deel van deze periode niet zou meetellen voor de berekening van de termijn. Verweerder had derhalve uiterlijk op 13 maart 2012 ofwel een verlengingsbesluit moeten nemen en moeten uitreiken aan eiser, ofwel de bewaring moeten opheffen. Dit heeft verweerder nagelaten en pas op 14 maart 2012 heeft verweerder de bewaring opgeheven omdat er geen verlengingsbesluit is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank een dag te laat. Hieruit volgt dat de bewaring op 14 maart 2012 reeds onrechtmatig was.
5. Ten aanzien van eisers stelling dat verweerder vanaf 29 februari 2012 onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan eisers uitzetting, overweegt de rechtbank dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure, te weten 29 februari 2012, tot aan de datum waarop de bewaring onrechtmatig werd, het tijdsverloop niet zodanig lang is dat het ontbreken van op uitzetting gerichte handelingen een voortvarendheidsgebrek oplevert. De beroepsgrond faalt.
6. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 106 vanPro de Vw 2000 en wel tot een bedrag van € 80,- per dag dat eiser in een huis van bewaring aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, in totaal € 80,--.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 437,-- (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 437,--, en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 80,-- (zegge: tachtig euro);
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 437,-- (zegge: vierhonderd en zevenendertig euro), te betalen aan de griffier.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. Dondorp, rechter, in aanwezigheid van H.C. Hagen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2012.