ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5892
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige verwijdering van gemeenschappelijke heg en herstelverplichting
In deze zaak stond centraal of gedaagde gehouden was het door hem verwijderde deel van een heg, gelegen op de erfgrens tussen twee percelen, te herstellen. De heg vormde volgens de wet vermoedelijk de erfgrens en was daarmee gemeenschappelijk eigendom van eiser en gedaagde. Gedaagde had zonder toestemming een gat van drie meter in de heg verwijderd.
Eiser stelde dat de heg al meer dan honderd jaar op de erfgrens stond en dat hij en zijn rechtsvoorganger het hegbezit onafgebroken te goeder trouw hadden gehad, waardoor hij mede-eigenaar was. Gedaagde voerde aan dat de heg geheel op zijn perceel stond en dat hij een meting had laten verrichten, maar kon dit niet met een rapport onderbouwen. Ook was de kadastrale erfgrens niet vastgesteld door het Kadaster.
De voorzieningenrechter oordeelde dat gedaagde het wettelijk vermoeden dat de heg op de erfgrens stond niet had weerlegd. Het verwijderen van een zaak die mede-eigendom was van eiser was onrechtmatig. Gedaagde werd veroordeeld binnen vier weken een heg van vergelijkbare kwaliteit en omvang te plaatsen op de plaats waar de heg was verwijderd, op straffe van een dwangsom. Tevens werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten.
De rechter benadrukte dat het handelen van gedaagde een vorm van ongewenste eigenrichting was, aangezien hij wist dat eiser zijn aanspraak betwistte. Het was beter geweest eerst een buitengerechtelijke oplossing te zoeken. De dwangsom werd gematigd en vatbaar voor matiging door de rechter, rekening houdend met redelijkheid en billijkheid.
Uitkomst: Gedaagde is veroordeeld tot herstel van de verwijderde heg binnen vier weken onder dwangsom.