ECLI:NL:RBSGR:2012:BX7581

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
31 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
415624 KG ZA 12-304
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • R.J. Paris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming lijfsdwang bij alimentatieachterstand na weigering betaling en onvoldoende inzicht vermogen

De vrouw vordert tenuitvoerlegging van een alimentatiebeschikking bij lijfsdwang wegens een achterstand van ruim €114.000 en het niet meer vrijwillig betalen van maandelijkse alimentatie door de man. De man beroept zich op betalingsonmacht vanwege de verworpen nalatenschap van zijn vader en beperkte inkomsten uit uitkeringen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de man onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn vermogen en feitelijk kan beschikken over middelen, waaronder een lening van zijn dochter en mogelijk vermogen uit de nalatenschap. De man is gestopt met betalen terwijl hij erkent draagkracht te hebben voor een deel van de alimentatie, wat wijst op betalingsonwil.

De rechtbank concludeert dat andere executiemiddelen onvoldoende resultaat bieden en dat het belang van de vrouw toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt. De vordering wordt toegewezen met een maximale gijzelingstermijn van zes maanden en de man wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank staat lijfsdwang toe tegen de man tot maximaal zes maanden wegens niet-betaling van alimentatie en onvoldoende inzicht in zijn vermogen.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: 415624 / KG ZA 12-304
Vonnis in kort geding van 31 mei 2012
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats 1],
eiseres,
advocaat mr. S. Scheimann te Rotterdam,
tegen:
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. K.T. op de Hoek te Delft.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'de vrouw' en 'de man'.
1. Het procesverloop
De vrouw heeft de man op 22 maart 2012 doen dagvaarden om op 16 april 2012 te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op die datum behandeld en pro forma aangehouden tot 5 mei 2012 om partijen in de gelegenheid te stellen het geschil in onderling overleg te beëindigen. Op 4 mei 2012 heeft de man aan de voorzieningenrechter verzocht hem in de gelegenheid te stellen nadere stukken in het geding te brengen en een datum voor een voortgezette mondelinge behandeling te bepalen en heeft de vrouw verzocht om vonnis te wijzen. De voorzieningenrechter heeft de behandeling van de zaak vervolgens nogmaals pro forma aangehouden tot 19 mei 2012 om de man in de gelegenheid te stellen zijn verweer nader te onderbouwen met stukken en de vrouw om daarop te reageren. Beide partijen hebben hieraan voldaan. Vonnis is bepaald op heden.
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 16 april 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1. Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd. Dit huwelijk is op [echtscheidingsdatum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van [beschikkingsdatum] in de registers van de burgerlijke stand.
2.2. De man heeft twee meerderjarige dochters uit een eerder huwelijk, te weten [dochter 1] (hierna: [dochter 1]) en [dochter 2] (hierna: [dochter 2]).
2.3. Op [overlijdensdatum] is de vader van de man overleden. De man heeft de erfenis van zijn vader op [verwerpingsdatum] verworpen. Zijn dochters zijn daarbij als erfgenamen voor de man in de plaats getreden. Op diezelfde datum heeft de man een overeenkomst met zijn dochters gesloten (hierna: de overeenkomst), waarin afspraken zijn gemaakt met betrekking tot de verwerping van de nalatenschap door de man en het beheer door zijn dochters over het aan hen toekomende erfdeel. Hierbij is onder meer afgesproken dat, kort gezegd, al hetgeen [dochter 2] als erfgename van erflater in geld toekomt, zal worden gestort op een zogenaamde en/en-rekening, waarover [dochter 2] en de man enkel gezamenlijk kunnen beschikken. Voorts is afgesproken dat al hetgeen [dochter 1] als erfgename van erflater toekomt door haar als geldlening renteloos ter beschikking zal worden gesteld aan de man. Daarbij zou de man, zodra [dochter 1] dat zou wensen, hypothecaire zekerheid op zijn woning aan haar dienen te verlenen. Dit is geschied voor een bedrag van € 131.000,-.
2.4. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2004 is een door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud (hierna: partneralimentatie) van € 618,- per maand bepaald met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van 22 augustus 2007 heeft het gerechtshof (hierna: het hof) 's-Gravenhage die beschikking voor wat betreft de partneralimentatie vernietigd en een partneralimentatie van € 1.336,- per maand bepaald met ingang van 14 juni 2004. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 5 december 2008 de beschikking van het hof 's-Gravenhage vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Amsterdam. Dit hof heeft bij beschikking van 7 juli 2009 de beschikking van de rechtbank Rotterdam vernietigd en de partneralimentatie bepaald op € 760,- per maand met ingang van 1 januari 2005 en op € 1.000,- per maand met ingang van 1 mei 2008. De Hoge Raad heeft bij beschikking van 3 september 2010 de beschikking van het hof Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar het hof Arnhem. Bij beschikking van 21 juni 2011 heeft dit hof de beschikking van de rechtbank Rotterdam vernietigd en de partneralimentatie bepaald op € 2.215,- per maand met ingang van 1 januari 2005 en op € 2.105,87 per maand met ingang van 1 mei 2008. Deze beschikking is in kracht van gewijsde gegaan.
2.5. Het hof Arnhem heeft in zijn beschikking van 21 juni 2011 onder meer overwogen:
(...)
4.7. De beschikking van het hof te Amsterdam is wel met succes in cassatieberoep aangevochten met betrekking tot de gemotiveerde stelling van de vrouw dat de man feitelijk (mede) kan beschikken over de door hem verworpen nalatenschap. Daaruit volgt dat thans onderzocht moet worden of de man feitelijk kan beschikken over de door hem verworpen nalatenschap. Voor de bepaling van de draagkracht van de man zijn immers alle middelen waarover hij kan beschikken van belang.
4.8. Ter mondelinge behandeling is alleen de vrouw verschenen. Zij heeft verklaard dat de nalatenschap van de vader van de man enige honderdduizenden euro's beliep, bestaande uit saldi op bankrekeningen (mede in het buitenland), aandelen, effecten, sieraden en een drietal onroerende zaken. De vrouw heeft tevens verklaard dat zij geen inzicht heeft in de grootte van deze nalatenschap. Voorts heeft de vrouw verklaard dat de man feitelijk (mede) kan beschikken over de door hem verworpen nalatenschap, zodat bij de berekening van zijn draagkracht met het inkomen daaruit rekening dient te worden gehouden.
De man die, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet is verschenen, heeft deze stellingen van de vrouw niet dan wel onvoldoende bestreden en evenmin inzicht in de omvang van de nalatenschap verschaft. In zijn aan het hof gezonden brief heeft de man onder meer verklaard dat hij niet wenst verder te procederen en niet ter mondelinge behandeling wenst te verschijnen.
Bij gebrek aan voldoende informatie van de man over de omvang van het vermogen en de inkomsten daaruit gaat het hof ervan uit dat de man met ingang van 1 januari 2005 in staat is om een alimentatie te betalen gelijk aan de behoefte van de vrouw zoals die door het hof te 's-Gravenhage is vastgesteld op € 1.552,- netto per maand, die - zoals niet bestreden - gebruteerd € 2.215,- per maand bedraagt.
(...)
2.6. De man is ingevolge de beschikking van 21 juni 2011 over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2011 een bedrag van € 184.807,82 aan partneralimentatie aan de vrouw verschuldigd. Over de periode van 1 januari 2005 tot en met 30 juni 2011 heeft de man in totaal € 70.527,86 aan partneralimentatie aan de vrouw betaald. Vanaf juli 2011 is hij gestopt met het (vrijwillig) betalen van partneralimentatie aan de vrouw. De vrouw heeft daarom betreffende de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2011 een vordering op de man van € 114.279,96.
2.7. Door de vrouw is na het geven van de beschikking van 21 juni 2011 beslag gelegd op een aantal vermogensbestanddelen en uitkeringen van de man. Het beslag op twee uitkeringen heeft tot resultaat geleid. Vanaf september 2011 wordt er een bedrag van € 10,35 per maand ingehouden op de AOW-uitkering van de man en vanaf december 2011 een bedrag van € 1.006,10 per maand op zijn WUV-uitkering. Van de ingehouden bedragen zijn onder meer kosten van de deurwaarder betaald. De vrouw ontvangt per saldo sinds maart 2012 een bedrag van € 950,- bruto per maand. Wat betreft het beslag dat is gelegd op een lijfrente-uitkering van Reaal, is door Reaal toegezegd € 852,22 per kwartaal aan de deurwaarder te zullen gaan betalen. Deze betalingen hebben nog niet plaatsgevonden. Het beslag op de woning van de man heeft geen doel getroffen omdat de waarde van de woning op € 190.000,- wordt geschat en de man twee hypothecaire geldleningen heeft, een van € 98.400,- bij de Rabobank en een van € 131.000,- bij zijn dochter [dochter 1]. Ook het beslag dat is gelegd op de bankrekeningen van de man heeft geen doel getroffen.
3. Het geschil
3.1. De vrouw vordert - zakelijk weergegeven - de tenuitvoerlegging van de beschikking van 21 juni 2011 van het hof Arnhem bij lijfsdwang toe te staan totdat de vordering van € 114.279,- is voldaan, met veroordeling van de man in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
3.2. Daartoe voert de vrouw het volgende aan. De vrouw heeft een aanzienlijke vordering op de man wegens achterstallige alimentatie. Deze vordering loopt ook nog elke maand op omdat de man sinds de laatste beschikking zijn alimentatieverplichting niet meer nakomt. De vrouw is bereid een betalingsregeling te treffen maar de man niet. Hij geeft ook geen openheid van zaken over zijn vermogen en over de constructie ter zake van de erfenis van zijn vader. Er is geen sprake van betalingsonmacht bij de man maar van betalingsonwil. De vrouw kan van haar inkomsten niet in haar eigen levensonderhoud voorzien. Zij heeft de partneralimentatie hiervoor nodig. Zij moet daarom thans geld lenen en voor diverse betalingen uitstel aanvragen. Zij bevindt zich in een noodsituatie. De gelegde beslagen treffen onvoldoende doel en gijzeling is daarom nog het enige executiemiddel dat de vrouw ten dienste staat.
3.3. De man voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
4.1. Voorop gesteld wordt dat rechterlijke uitspraken dienen te worden nagekomen. Niet kan worden geduld dat personen die verplicht zijn tot het doen van een uitkering tot levensonderhoud zich aan die verplichting zouden kunnen onttrekken zonder zich te bekommeren om het lot van de tot onderhoud gerechtigde. Het executiemiddel lijfsdwang strekt ertoe druk uit te oefenen op de alimentatieplichtige, zodat hij de aan hem bij beschikking opgelegde onderhoudsverplichting nakomt. Het is echter een zeer ingrijpend middel, omdat de alimentatieplichtige daarmee zijn persoonlijke vrijheid wordt ontnomen. Toepassing daarvan komt slechts aan de orde als aannemelijk is dat toepassing van een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst zal bieden, tenzij in casu de man aannemelijk maakt dat hij niet in staat is om aan zijn verplichtingen te voldoen. Daarnaast moet het belang van de vrouw toepassing van lijfsdwang rechtvaardigen.
4.2. Van bereidheid tot vrijwillige nakoming is niet gebleken. De man heeft immers na de beschikking van het hof Arnhem geen enkele betaling meer vrijwillig verricht en pogingen ter terechtzitting en na de terechtzitting om tot een minnelijke regeling te komen hebben niets opgeleverd. Voorts zal toepassing van andere dwangmiddelen dan de thans gevorderde lijfsdwang voor de vrouw geen uitkomst bieden. De door de vrouw gelegde beslagen hebben weliswaar doel getroffen bij drie uitkeringen maar de inkomsten die de vrouw hieruit ontvangt (dan wel zal gaan ontvangen van Reaal), zijn aanzienlijk lager dan de partneralimentatie die de man thans maandelijks dient te voldoen. De stelling van de vrouw dat er door haar geen andere vermogensbestanddelen kunnen worden getraceerd waarop zij zich kan verhalen, is door de man niet betwist.
4.3. Het verweer van de man houdt in dat er geen sprake is van betalingsonwil maar van betalingsonmacht. Als de man de erfenis van zijn vader zou hebben aanvaard, zou zijn WUV-uitkering zijn beëindigd. Dan zou hij onvoldoende draagkracht hebben gehad voor het betalen van enig bedrag aan partneralimentatie en hij zou dan ook zijn erkenning als oorlogsslachtoffer verliezen. Hij heeft de erfenis daarom verworpen en deze is aan zijn twee dochters toegekomen. Hij kan dan ook niet beschikken over enig geld uit de erfenis, met dien verstande dat zijn dochter [dochter 1] hem uit haar erfdeel wel een bedrag van € 131.000,- heeft geleend. Dit bedrag heeft de man echter aangewend voor het deels aflossen van de hypotheekschuld op zijn woning met € 100.000,- en het betalen van diverse kosten. De man heeft thans derhalve enkel de inkomsten uit zijn uitkeringen, in totaal € 2.667,17 netto per maand. Het via beslag hierop ingehouden bedrag is echter al meer dan hij kan betalen. Hij heeft dus onvoldoende draagkracht voor het betalen van de vastgestelde maandelijkse alimentatie en is daarom in het geheel niet in staat om een bedrag aan achterstallige alimentatie te betalen, aldus de man.
4.4. De voorzieningenrechter overweegt naar aanleiding van dit verweer van de man dat deze procedure er niet toe dient om het geschil, zoals dat bij het hof Arnhem aan de orde is geweest, opnieuw inhoudelijk te behandelen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de man krachtens de onherroepelijke beschikking van 21 juni 2011 moet worden geacht voldoende draagkracht te hebben om de vastgestelde bijdrage te voldoen, zolang niet op een wijzigingsverzoek van de man anders is beslist. Aan nakoming van die beschikking staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in de weg dat het hof geen diepgaand onderzoek heeft gedaan naar de werkelijke financiële draagkracht van de man. Het is immers de eigen keuze van de man geweest om in die procedure niet ter zitting te verschijnen, geen stukken over te leggen en geen inzicht te verschaffen in de omvang van de nalatenschap. De stellingen van de man dienen derhalve uitsluitend te worden beoordeeld met het oog op de vraag of de man aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat is om aan de beschikking te voldoen.
4.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de man er niet in geslaagd om dit aannemelijk te maken. De man heeft onvoldoende inzicht verschaft in het vermogen waarover hij beschikt en feitelijk kan beschikken. De man heeft enkele stukken ten aanzien van banktegoeden overgelegd, maar niet aannemelijk gemaakt dat dit zijn volledige banktegoeden zijn. Zo ontbreekt onder meer de zogenaamde en/en-rekening die de man volgens de overeenkomst met zijn dochter [dochter 2] zou gaan aanhouden. De man heeft weliswaar gesteld dat aan deze afspraak geen uitvoering is gegeven, maar hij heeft deze stelling op geen enkele wijze nader toegelicht. Gezien de betwisting van de vrouw en het feit dat de overeenkomst voor het overige is nagekomen, had dit wel op de weg van de man gelegen. Voorts blijkt de totale omvang van de nalatenschap en de wijze waarop deze is verdeeld onvoldoende uit de stukken. Zo ontbreekt bijvoorbeeld een boedelbeschrijving en een akte van verdeling. Voorts is onduidelijk waaraan de gelden van de nalatenschap zijn besteed en of deze gelden niet op enigerlei wijze aan de man ten goede zijn gekomen. Ook is geen inzicht verschaft in het vermogen van de erflater dat in Spanje is gelegen. Dit had wel op de weg van de man gelegen nu in het (Nederlandse) testament van de erflater uitdrukkelijk staat vermeld dat zijn in Spanje opgemaakte testament niet wordt herroepen en voorts dat het Nederlandse testament enkel betrekking heeft op zijn goederen, en schulden, die buiten Spanje zijn gelegen. Daar komt nog bij dat de man blijkbaar tot op heden geen aanleiding heeft gezien om een wijzigingsverzoek in te dienen (hetgeen ambtshalve door de voorzieningenrechter is onderzocht). Hij is echter wel volledig gestopt met het vrijwillig betalen van partneralimentatie, terwijl hij erkent draagkracht te hebben voor het betalen van € 788,- per maand. Dit duidt veeleer op betalingsonwil dan betalingsonmacht.
4.6. De voorzieningenrechter overweegt ten slotte dat genoegzaam is gebleken dat het belang van de vrouw toepassing van lijfsdwang rechtvaardigt. De vrouw heeft immers behoefte aan de bijdrage van de man om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien. Voorts dient zij uitgestelde betalingen te verrichten en leningen af te lossen waartoe zij zelf onvoldoende inkomsten heeft, zo heeft de vrouw onweersproken gesteld. Bovendien loopt de schuld van de man aan de vrouw maandelijks op.
4.7. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de vordering van de vrouw dient te worden toegewezen als na te melden, waarbij de voorzieningenrechter aanleiding ziet om een maximale duur voor de gijzeling te bepalen van zes maanden.
4.8. De voorzieningenrechter ziet in de omstandigheden van dit geval aanleiding om, hoewel partijen gewezen echtelieden zijn, te bepalen dat de man als de in het ongelijk gestelde partij de kosten deze procedure dient te dragen. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan de stelling van de man dat hij niet in de kosten van de dagvaarding veroordeeld kan worden omdat deze niet aan hem is betekend en derhalve nietig is. Ter zitting heeft de vrouw immers de originele aan de man betekende dagvaarding getoond. De man zal tevens (deels voorwaardelijk) in de nakosten worden veroordeeld.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
- verleent de vrouw verlof om de beschikking van het hof Arnhem van 21 juni 2011 ten uitvoer te doen leggen door middel van lijfsdwang en de man in gijzeling te doen nemen totdat de vordering van de vrouw op de man van € 114.279,- ter zake de alimentatieachterstand tot en met december 2011 is voldaan, met dien verstande dat die gijzeling ten hoogste zes maanden zal duren;
- veroordeelt de man in de proceskosten tot op dit vonnis in totaal begroot op € 968,27, waarvan:
a. € 889,-- te voldoen aan de vrouw (€ 816,-- aan salaris advocaat en € 73,-- aan griffierecht);
b. € 79,27 exclusief BTW, wegens explootkosten, aan de griffier van de rechtbank door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.580 ten name van MvJ. Arrondissement Den Haag 537, onder vermelding van "proceskostenveroordeling'' en het zaak- en rolnummer;
- bepaalt dat, indien niet binnen veertien dagen na heden aan de proceskostenveroordeling is voldaan, wettelijke rente daarover verschuldigd is;
- veroordeelt de man tevens in de nakosten, forfaitair begroot op € 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 68,-- aan salaris en met de deurwaarderskosten gemaakt voor de betekening van dit vonnis, indien tot betekening wordt overgegaan;
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2012.
ts