ECLI:NL:RBSGR:2012:BX8692
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring Nederlandse rechter in internationale kinderontvoeringszaak tussen Nederland en Curaçao
De man vordert in kort geding de teruggeleiding en afgifte van zijn minderjarige dochter van Curaçao naar Nederland, stellende dat de vrouw het kind onrechtmatig achterhoudt. De minderjarige staat ingeschreven in Nederland en heeft haar hoofdverblijfplaats volgens een eerdere uitspraak bij de man. De vrouw woont op Curaçao en ondersteunt het verblijf van het kind daar.
De voorzieningenrechter onderzoekt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Het Haags Kinderontvoeringsverdrag is niet van toepassing omdat Curaçao niet is aangesloten. Ook de Uitvoeringswet en Brussel IIbis bieden geen grond voor Nederlandse bevoegdheid, aangezien Curaçao een Land en Gebied Overzee is en buiten het EU-grondgebied valt. Het Haags Kinderbeschermingsverdrag is wel van toepassing, maar betreft alleen ouderlijke verantwoordelijkheid, niet teruggeleiding.
Op grond van artikel 9 Rv Pro wordt geoordeeld dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is, omdat het niet onaanvaardbaar is dat de man de zaak op Curaçao aanhangig maakt. De vrouw heeft daar al een procedure gestart. De vorderingen van de man worden daarom afgewezen wegens onbevoegdheid van de Nederlandse rechter. De vrouw krijgt ook geen gelijk in haar reconventionele vordering tot wijziging van hoofdverblijfplaats, omdat dit een bodemprocedure vereist.
Beide partijen dragen hun eigen proceskosten. De uitspraak bevestigt dat internationale kinderontvoeringszaken tussen Nederland en Curaçao niet automatisch onder Nederlandse jurisdictie vallen en benadrukt het belang van lokale procedures op Curaçao.
Uitkomst: De Nederlandse rechter verklaart zich onbevoegd om te beslissen over de vordering tot teruggeleiding van de minderjarige en wijst de vordering af.