ECLI:NL:RBSGR:2012:BX9131

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
27 september 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
426230 - HA RK 12-501
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 lid 4 Wet op de rechtsbijstandArt. 40 Wet tarieven in burgerlijke zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzet tegen vaststelling eigen bijdrage Raad voor Rechtsbijstand

Cliënt heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzieningenrechter die de eigen bijdrage van €503,-- aan advocaat had vastgesteld en tenuitvoerlegging daarvan had bevolen. Cliënt stelde dat advocaat vrijwel niets voor haar had gedaan en dat zij daarom slechts €250,-- hoefde te betalen. Advocaat stelde dat cliënt geen bezwaar had gemaakt tegen de beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand en dat de vaststelling van de eigen bijdrage daarmee onherroepelijk was.

De rechtbank overweegt dat de vraag of de advocaat voldoende werkzaamheden heeft verricht niet ter beoordeling staat. Indien cliënt het niet eens was met de vaststelling van de eigen bijdrage, had zij binnen zes weken na 3 mei 2012 bezwaar kunnen maken bij de Commissie voor Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand, maar dat is niet gebeurd. De rechtbank acht het verzet daarom niet ontvankelijk en wijst het af.

Verder stelt de rechtbank vast dat de schrapping van de verwijzing naar artikel 40 van Pro de Wet tarieven in burgerlijke zaken in artikel 38 lid 4 van Pro de Wet op de rechtsbijstand een vergissing van de wetgever betreft, waardoor verzet tegen de beslissing van de voorzieningenrechter nog mogelijk is. Desondanks leidt dit niet tot een andere uitkomst in deze zaak.

Uitkomst: Het verzet van cliënt tegen de vaststelling van de eigen bijdrage wordt afgewezen.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
zaaknummer / rekestnummer: 426230 / HA RK 12-501
Beschikking van 27 september 2012
in de zaak van
[cliënt],
wonende te [woonplaats],
verschenen in persoon,
tegen
[advocaat],
advocaat te [woonplaats],
verschenen in persoon.
Partijen worden hierna aangeduid met ‘[cliënt]’ en ‘[advocaat]’.
1. De procedure
1.1. Op 3 mei 2012 heeft de Raad voor Rechtsbijstand [advocaat] als rechtsbijstandverlener toegevoegd aan [cliënt]. Aanvankelijk werd een eerdere toevoegingsaanvraag afgewezen, maar nadat een verzoek van [cliënt] om peiljaarverlegging was toegewezen, is de toevoeging alsnog afgegeven. De eigen bijdrage is daarbij vastgesteld op € 503,--.
1.2. Op 20 juli 2012 heeft [advocaat] een verzoekschrift ex artikel 38 lid 4 van Pro de Wet op de rechtsbijstand ingediend en de voorzieningenrechter verzocht de door [cliënt] verschuldigde eigen bijdrage vast te stellen op € 503,--. Hij heeft daartoe aangevoerd dat [cliënt] de eigen bijdrage, ondanks diverse e-mails en betalingsverzoeken en een sommatiebrief daartoe, niet heeft betaald.
1.3. De voorzieningenrechter heeft bij beschikking van 24 juli 2012 de declaratie van [advocaat] goedgekeurd voor een bedrag van € 503,-- en de tenuitvoerlegging daarvan bevolen.
1.4. Bij ongedateerde brief, ingekomen op 10 augustus 2012 en aangevuld bij brief van 24 augustus 2012, heeft [cliënt] verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzieningenrechter.
1.5. De mondelinge behandeling van het verzet heeft plaatsgevonden op 20 september 2012. Beide partijen zijn verschenen.
2. Het verzet
2.1. [cliënt] legt aan haar verzet ten grondslag dat [advocaat] vrijwel niets voor haar heeft gedaan. Zij heeft inmiddels een bedrag van € 250,-- betaald en zij vindt dit voldoende. [advocaat] had haar moeten adviseren geen wijziging van het peiljaar meer aan te vragen, aangezien het geschil waarvoor de toevoeging was bedoeld inmiddels was opgelost.
2.2. [advocaat] stelt zich op het standpunt dat [cliënt] tegen de beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand geen bezwaar heeft gemaakt. Die beslissing is dan ook onherroepelijk. [advocaat] geeft nog aan dat een betalingsregeling was afgesproken waarbij [cliënt] viermaal een bedrag van € 125,-- zou betalen. Hij heeft inmiddels een bedrag van € 250,-- ontvangen.
3. De beoordeling
3.1. De rechtbank stelt het volgende voorop.
In het tot 1 november 2010 geldende artikel 38 lid 4 van Pro de Wet op de rechtsbijstand is als tweede zin opgenomen ‘De artikelen 24 tot en met 40 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken zijn van overeenkomstige toepassing’. In bedoeld artikel 40 is Pro de mogelijkheid van verzet opgenomen tegen – onder meer – een beslissing van de voorzieningenrechter zoals de onderhavige beslissing van 24 juli 2012. In verband met de inwerkingtreding van de Wet griffierechten burgerlijke zaken op 1 november 2010 is de Wet op de rechtsbijstand op
1 november 2010 gewijzigd onder meer in die zin dat de tweede zin van artikel 38, lid 4, is komen te vervallen. Daarmee is de wettelijke basis van het door [cliënt] ingestelde verzet komen te vervallen. De rechtbank gaat er echter vanuit dat de schrapping van de verwijzing naar artikel 40 van Pro de Wet tarieven in burgerlijke zaken een vergissing van de wetgever betreft, aangezien de wetsgeschiedenis geen aanwijzing bevat waaruit kan worden opgemaakt dat het de bedoeling van de wetgever was de mogelijkheid van verzet tegen de beslissing van de president te laten vervallen. Naar het oordeel van de rechtbank is [cliënt] daarom ontvankelijk in haar verzet.
3.2. Het verzet van [cliënt] is gebaseerd op de stelling dat [advocaat] vrijwel niets voor haar heeft gedaan en dat zij daarom kan volstaan met betaling van een bedrag van € 250,--. De vraag of een advocaat voldoende werkzaamheden heeft verricht in verhouding tot de door de Raad voor Rechtsbijstand vastgestelde eigen bijdrage is geen vraag die ter beoordeling van de rechtbank staat. Indien [cliënt] van mening is dat de eigen bijdrage door de Raad voor Rechtsbijstand op een te hoog bedrag is vastgesteld, had zij tegen de beslissing van de Raad voor Rechtsbijstand binnen 6 weken ná 3 mei 2012 een bezwaarschrift kunnen indienen bij de Commissie voor Bezwaar van de Raad voor Rechtsbijstand. Een en ander staat vermeld op de toevoeging. [cliënt] heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De hoogte van de eigen bijdrage staat daarmee vast en komt daarom in het kader van deze procedure niet meer aan de orde. Overigens zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die tot vernietiging van de door de voorzieningen-rechter gegeven beslissing moeten leiden. Het verzet zal daarom worden afgewezen.
4. De beslissing
De rechtbank wijst het verzet van [cliënt] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2012.