ECLI:NL:RBSGR:2012:BY0292
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens langdurige prejudiciële procedure en gebrek aan redelijke uitzettingstermijn
De vreemdeling werd op 19 september 2012 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Hij had een asielaanvraag ingediend die was afgewezen, waarna hij hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS). De AbRS stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de uitleg van richtlijn 2004/83/EG met betrekking tot internationale bescherming en seksuele gerichtheid.
De rechtbank constateert dat deze prejudiciële vragen al op 18 april 2012 waren gesteld en dat de beantwoording hiervan naar verwachting anderhalf tot twee jaar zou duren. Dit was bekend of had bekend moeten zijn bij verweerder ten tijde van de inbewaringstelling van de vreemdeling. Hierdoor was er geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, ook al heeft het hoger beroep geen schorsende werking.
De rechtbank oordeelt dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig was en beveelt de opheffing ervan per 2 oktober 2012. Tevens kent zij een schadevergoeding toe van € 1.090,-- voor dertien dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelt verweerder in de proceskosten van € 874,--. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de AbRS.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid en er wordt een schadevergoeding toegekend.