ECLI:NL:RBSGR:2012:BY3830
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek moeder tot vervangende toestemming paspoort voor minderjarige in Marokko afgewezen wegens gebrek aan rechtsmacht
De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor de afgifte van een paspoort ten behoeve van haar minderjarige kind dat in Marokko verblijft. De minderjarige was vanaf december 2005 met toestemming van de moeder bij de vader in Duitsland gaan wonen. Volgens de moeder had de vader het kind in 2006 zonder haar toestemming bij de grootmoeder in Marokko ondergebracht. De minderjarige had contact opgenomen met de moeder vanuit Marokko en aangegeven te zijn weggelopen bij de vader.
De rechtbank stelde vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige inmiddels in Marokko is gelegen. Gezien het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996, waarbij zowel Nederland als Marokko partij zijn, werd beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het verzoek. Op grond van artikel 5 van Pro het Verdrag kon de Nederlandse rechter geen rechtsmacht aannemen omdat de gewone verblijfplaats niet in Nederland is. Ook artikel 7 bood Pro geen rechtsmacht omdat de gewone verblijfplaats vóór de overbrenging naar Marokko in Duitsland lag en niet in Nederland.
De rechtbank liet in het midden of de stelling van de moeder dat de overbrenging in strijd met het gezagsrecht was, juist was, maar oordeelde dat het Verdrag geen handvatten biedt voor rechtsmacht van de Nederlandse rechter in deze situatie. Daarom verklaarde de rechtbank zich absoluut onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek en zag af van verdere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de moeder wegens gebrek aan rechtsmacht.