ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5220
Rechtbank 's-Gravenhage
- Kort geding
- R.J. Paris
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot opheffing detentie na gratieverzoek
Eiser, geboren in 1987 in Irak en inmiddels Nederlander, was veroordeeld tot een taakstraf met vervangende hechtenis die in 2012 ten uitvoer werd gelegd. Na terugkeer uit Irak werd hij aangehouden en gedetineerd. Eiser diende meerdere gratieverzoeken in, maar deze werden niet volledig in behandeling genomen vanwege ontbrekende stukken. Hij vorderde in kort geding opheffing van zijn detentie, stellende dat het gratieverzoek opschortende werking had en dat zijn detentie onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat het gratieverzoek geen opschortende werking heeft omdat de tenuitvoerlegging al was begonnen toen het verzoek werd ingediend. Ook was er geen wettelijke grondslag voor het niet eerst zelf melden van eiser. Het gratieverzoek werd marginaal getoetst en het was niet aannemelijk dat het zou worden toegewezen, mede omdat eiser geen omstandigheden aanvoerde die volgens het beleid tot schorsing leiden.
De rechtbank concludeerde dat de minister in redelijkheid heeft gehandeld door de tenuitvoerlegging niet te schorsen. De vordering tot opheffing van de detentie werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van de detentie wordt afgewezen omdat het gratieverzoek geen opschortende werking heeft en niet aannemelijk is dat het zal worden toegewezen.