ECLI:NL:RBSGR:2012:BY5737
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens verantwoordelijkheid Polen en beoordeling hoorprocedure
Verzoekster, een Armeense burger, diende een asielaanvraag in Nederland in die werd afgewezen omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling van haar verzoek op grond van Verordening (EG) 343/2003 (Dublinverordening). Verzoekster stelde dat zij vanwege haar gezondheidstoestand niet had mogen worden gehoord en dat zij meer rust en voorbereidingstijd had moeten krijgen. De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoekster niet opnieuw werd aangeboden bij Medifirst, wat volgens het advies wel had moeten gebeuren, maar dat de IND na 27 dagen met het horen begon. Tijdens de gehoren werd regelmatig geverifieerd of verzoekster kon worden gehoord en zij kon consistent verklaren.
Verzoekster voerde ook aan dat Polen haar niet voldoende bescherming kan bieden en dat er medische tekortkomingen zijn. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster niet aannemelijk had gemaakt dat Polen zijn verdragsverplichtingen niet nakomt of dat zij in Polen niet adequaat beschermd zou worden. Ook was niet gebleken dat medische voorzieningen in Polen ontoereikend zijn. De voorzieningenrechter concludeerde dat de aanvraag terecht binnen de AA-procedure kon worden afgedaan en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd afgewezen.
De voorzieningenrechter gaf verweerder wel de dringende aanbeveling om in de toekomst scherp te zijn op het opnieuw aanbieden bij Medifirst wanneer dit wordt geadviseerd. Partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het asielverzoek wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen.