ECLI:NL:RBSGR:2012:BY6643

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
427887 / HA RK 12-570
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 RvArt. 39 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening na comparitie

In deze zaak heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. Ploeger, kantonrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage, naar aanleiding van een comparitie die op 6 juli 2012 plaatsvond. Verzoeker stelde dat mr. Ploeger partijdig was omdat hij geen gehoor gaf aan het verzoek om bewijsstukken te overleggen en door een lach en knipoog naar de eisende partij de eis in reconventie afwees.

De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek te laat was ingediend, namelijk op 12 september 2012, terwijl het verzoek volgens artikel 37, eerste lid, Rv direct na de comparitie had moeten worden gedaan. Het feit dat verzoeker door omstandigheden en drukte niet eerder kon indienen, werd niet als gegrond erkend.

Daarnaast werd het verzoek om de eisende partij te bevelen stukken over te leggen niet ontvankelijk verklaard omdat dit een inhoudelijke beslissing betreft die niet tot de bevoegdheid van de wrakingskamer behoort.

De wrakingskamer verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk en bepaalde dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Wrakingsverzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening na comparitie.

Uitspraak

beslissing
WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Meervoudige wrakingskamer
Wrakingnummer 2012/67
rekestnummer: 427887 / HA RK 12-570
Rolnummer: 1131984 CV EXPL 12-75
datum beslissing: 30 oktober 2012
BESLISSING
op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [plaats],
verzoeker,
strekkende tot wraking van:
mr. A.P. Ploeger,
kantonrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage.
Belanghebbende:
de besloten vennootschap [X] B.V.,
gevestigd te Leiden.
1. De voorgeschiedenis en het procesverloop
1.1. Op 27 december 2011 heeft [X] B.V. (hierna: '[X]') verzoeker gedagvaard om voor de kantonrechter te verschijnen, waarbij zij betaling van collegegeld vordert. Op 6 juli 2012 is mr. Ploeger overgegaan tot een comparitie van partijen. Verzoeker heeft mr. Ploeger schriftelijk gewraakt, welk wrakingsverzoek op 12 september 2012 door de rechtbank is ontvangen. Van mr. Ploeger is op 9 oktober 2012 een reactie op het wrakingsverzoek ontvangen.
2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek
2.1. Op 16 oktober 2012 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoeker is verschenen, evenals [A]namens [X], bijgestaan door [B] namens GGN Van Mastrigt & Partners. Mr. Ploeger is - zoals vooraf gemeld - niet verschenen.
3. Het standpunt van verzoeker
3.1. Aan het wrakingsverzoek is - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd. Mr. Ploeger heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek om de eisende partij te bevelen bewijsstukken over te leggen en heeft er geen rekening mee gehouden dat verzoeker geen behoorlijk verweer kon voeren door het ontbreken van stukken. Ook heeft mr. Ploeger van partijdigheid laten blijken door met een lach en een knipoog naar de eisende partij de eis in reconventie af te wijzen.
3.2. Verzoeker heeft tevens verzocht de eisende partij alsnog te bevelen om alle onderliggende stukken in te dienen.
4. Het standpunt van mr. Ploeger
4.1. Mr. Ploeger heeft zich op het standpunt gesteld dat zich geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan als bedoeld in artikel 36 Rv Pro, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ter comparitie zijn aan beide partijen kritische vragen gesteld. Mr. Ploeger betwist dat hij met een lach en een knipoog naar de eisende partij de vordering in reconventie heeft afgewezen. Hij heeft verzoeker er enkel op gewezen dat die eis te laat was ingesteld. Indien verzoeker van mening is dat de zaak anders behandeld had kunnen of moeten worden, volgt daaruit nog geen partijdigheid, zodat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.
5. De beoordeling
5.1. Op grond van artikel 37, eerste lid, Rv wordt een verzoek tot wraking gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.
5.2. In het onderhavige geval heeft verzoeker het wrakingsverzoek ingediend naar aanleiding van de gang van zaken ter comparitie. Die comparitie heeft op 6 juli 2012 plaatsgevonden, terwijl verzoeker eerst op 12 september 2012 zijn wrakingsverzoek bij de rechtbank heeft ingediend. Gelet op voormeld criterium had verzoeker zijn verzoek tijdens of direct na de comparitie moeten doen. Nu verzoeker dat heeft nagelaten, is zijn verzoek te laat en zal verzoeker om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn verzoek, zodat het verzoek niet inhoudelijk zal worden behandeld. Dat verzoeker - zoals hij desgevraagd heeft verklaard ter zitting - "door omstandigheden en drukte" niet eerder in staat was het wrakingsverzoek op te stellen, dient voor zijn rekening en risico te komen en kan dan ook niet tot een ander oordeel leiden.
5.3. Het verzoek om de eisende partij in de hoofdzaak te bevelen stukken over te leggen is evenmin ontvankelijk, omdat dit een inhoudelijke beslissing is die niet tot de bevoegdheid van de wrakingskamer behoort.
6. De beslissing
De wrakingskamer:
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, Rv wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de belanghebbende [X];
• de kantonrechter mr. A.P. Ploeger.
Deze beslissing is gegeven door mrs. E.A.G.M. van Rens, G.P. Verbeek en A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.A. van Dijk-Verheij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2012.