Zittinghoudende te Amsterdam
zaaknummer: AWB 12 / 36431
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen
geboren op [1980], van Egyptische nationaliteit, eiser,
gemachtigde: mr. E. de Geus, advocaat te Rotterdam
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
gemachtigde: mr. H.D. Streef, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.
Op 14 november 2012 is eiser op grond van artikel 5 in samenhang met artikel 13 van de Verordening (EG) nr. 562/2006 van 15 maart 2006 (Schengengrenscode) en in samenhang met artikel 3, derde lid, van de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.
Bij beroepschrift van 19 november 2012 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel.
Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 houdt het beroep tevens in een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 29 november 2012. Eiser noch zijn gemachtigde is - met bericht van verhindering - verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.
1. Verweerder is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.
2. Gebleken is dat de maatregel als bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 van de Vw 2000 met ingang van 20 november 2012 is opgegeven, omdat eiser op die dag is uitgezet.
3.1 Eiser heeft per faxbericht van 28 november 2012 verzocht om aanhouding van het beroep in verband met het ingediende administratief beroep tegen de toegangsweigering. Als dit administratief beroep gegrond wordt verklaard, heeft dit ook de gevolgen voor de opgelegde maatregel op grond van artikel 6 van de Vw 2000. Deze maatregel is dan onrechtmatig geworden en hem zal dan schadevergoeding toekomen, aldus eiser.
3.2 De rechtbank ziet geen aanleiding met de behandeling van het beroep te wachten totdat op het administratief beroep tegen de toegangsweigering is beslist. In het geval dat de toegangsweigering onrechtmatig wordt geacht, kan eiser in die procedure op grond van artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vragen om vergoeding van de schade die eiser als gevolg daarvan heeft geleden. Een door de bewaringsrechter gegeven oordeel over de rechtmatigheid van de bewaring staat daaraan niet in de weg. De rechtbank vindt steun hiervoor in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 mei 2012, gepubliceerd onder LJN BW6197. De overweging van de Afdeling betreft de situatie dat een terugkeerbesluit onrechtmatig wordt geacht, terwijl de bewaringsrechter de bewaring in een eerdere uitspraak niet onrechtmatig heeft geacht. Volgens de Afdeling kan de betrokkene in de procedure over het terugkeerbesluit om schadevergoeding verzoeken. De rechtbank is van oordeel dat in een procedure tegen een toegangsweigering op eenzelfde wijze om schadevergoeding kan worden verzocht. De rechtbank zal de behandeling van het beroep daarom niet aanhouden en overgaan tot de beoordeling van het beroep.
4. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding. Eiser heeft echter niet aangevoerd op grond waarvan de bewaring onrechtmatig zou zijn geweest. Voor zover de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel ambtshalve moet toetsen, is de rechtbank van oordeel dat de toepassing noch de tenuitvoerlegging daarvan in strijd is geweest met de wet. De rechtbank verklaart het beroep dan ook ongegrond.
5. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 106 van de Vw 2000 of artikel 8:75 van de Awb.
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M.T. Plouvier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op