ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0251

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
13 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
406612 - HA RK 11-680
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 WNIArt. 7 lid 5 WNIArt. 11 lid 1 RWNArt. 1 RWN
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling Nederlanderschap wegens ontbreken juridisch vaderschap

Verzoeker heeft de rechtbank verzocht vast te stellen dat hij sinds zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit, omdat hij stelt geboren te zijn uit een huwelijk tussen zijn vader, die de Nederlandse nationaliteit had, en zijn moeder. De rechtbank onderzocht of verzoeker juridisch gezien de zoon is van deze vader.

De IND betwistte het verzoek en stelde dat de vader ten tijde van de geboorte niet de Nederlandse nationaliteit bezat en dat het vermeende huwelijk tussen vader en moeder niet rechtsgeldig was, mogelijk een polygaam huwelijk dat in Nederland niet wordt erkend. Verzoeker overlegde documenten die het huwelijk zouden bevestigen, maar deze waren onderwerp van verificatie en niet onomstotelijk.

De rechtbank concludeerde dat niet is gebleken dat verzoeker juridisch kind is van de vader, noch op grond van het huwelijk noch op andere gronden. Hierdoor kon verzoeker niet worden beschouwd als Nederlander vanaf geboorte. Het verzoek werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat verzoeker juridisch kind is van een Nederlandse vader.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht
zaaknummer / rekestnummer: 40661[geboortedatum 1] / HA RK 11-680
Beschikking van 13 december 2012
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. W.A. Venema te Rijsbergen,
en
DE STAAT DER NEDERLANDEN
(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Immigratie- en Naturalisatiedienst), verder te noemen: de IND,
zetelende te Den Haag,
belanghebbende,
vertegenwoordigd door mr. Y. Kern.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het op 7 november 2011 ingekomen verzoekschrift (met bijlagen),
- de brief van de IND van 20 juni 2012 (met bijlagen),
- de brief van mr. Venema van 2 oktober 2012 (met bijlagen),
- de brieven van de officier van justitie van 6 juli en 21 september 2012.
1.2 De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op
18 oktober 2012. Verschenen zijn verzoeker, vergezeld van mevrouw Golijn als tolk en
mr. Venema. Namens de IND is verschenen mr. Kern. De officier van justitie heeft te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.
2. De feiten
2.1 [A], geboren op [geboortedatum] 1928 te [woonplaats] (Belgisch Congo) (hierna: [A]) heeft door geboorte het Nederlanderschap verkregen op grond van erkenning door [B] in januari 1939.
2.2 [A] is op 8 april 1980 gehuwd met [C], geboren op [geboortedatum 1] of [geboortedatum 2] 1964 te [woonplaats] (Zaïre), welk huwelijk op 13 juli 1998 is ontbonden door het overlijden van [A].
2.3 Verzoeker heeft aan de gemeente Breda ter registratie een geboorteakte ten name van hemzelf aangeboden ([nummer], afgegeven op 9 februari 2011), waarin onder meer is vermeld dat hij geboren is op [geboortedatum] 1982 te [woonplaats] en de zoon is van [A] en [D].
2.4 Verzoeker heeft op daartoe strekkend verzoek aan de gemeente Breda nadere documenten overgelegd, waaronder een gelegaliseerde Acte de notoriété supplétif à un acte de naissance ([kenmerk]) d.d. 15 maart 2011 en een Ordonnance [nummer] d’homogolation d’un acte de notoriété supplétif à un acte de naissance. In deze documenten wordt melding gemaakt van een huwelijk tussen [A] en [D].
2.5 De gemeente Breda heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd om een verificatieonderzoek uit te voeren.
3. Het verzoek en het standpunt van de IND
3.1 Verzoeker verzoekt de rechtbank vast te stellen dat hij sedert zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft. Verzoeker voert daartoe het volgende aan. Hij is op
[geboortedatum] 1982 geboren te [woonplaats], Zaïre, uit het huwelijk van [A] en [D]. [A] bezat ten tijde van de geboorte van verzoeker de Nederlandse nationaliteit. Een en ander betekent dat verzoeker op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (WNI) vanaf zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit bezit.
3.2. De IND stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De IND voert daartoe aan dat [A] ten tijde van de geboorte van verzoeker niet in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Indien sprake zou zijn van een rechtsgeldig in Congo gesloten huwelijk tussen [A] en [D], dan zou dat een bi- of polygaam huwelijk betreffen en om die reden strijdig zijn met de Nederlandse openbare orde. Verzoeker zou dan ook niet in 1990 zijn meegenaturaliseerd met [A].
3.3. De officier van justitie heeft zich aangesloten bij het advies van de IND.
4. De beoordeling
4.1. In geschil is of verzoeker de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Daarvoor is van belang of [A] de juridische vader is van verzoeker. Het ten tijde van de geboorte van verzoeker geldende artikel 1, aanhef en onder a, WNI bepaalde dat:
“Nederlanders door geboorte zijn:
a. het wettig, gewettigd of door den vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader den staat van Nederlander bezit;
(…)”
Indien ervan moet worden uitgegaan, zoals de IND stelt en verzoeker betwist, dat [A] het Nederlanderschap op 23 april 1974 heeft verloren en op 17 augustus 1990 door naturalisatie heeft herkregen, is het op 17 augustus 1990 geldende artikel 11 lid 1 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) van belang. Dat luidde:
“Het minderjarige niet-Nederlandse kind van een vader of moeder aan wie het Nederlanderschap is verleend deelt in deze verkrijging, tenzij te zijnen aanzien in het besluit een voorbehoud is gemaakt.(…)”
Artikel 1, aanhef en onder d, RWN bepaalde voorts:
“Voor de toepassing van deze Rijkswet wordt verstaan onder
(…)
d. de vader: de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekkingstaat;
(…)”
4.2 Vaststaat dat [A] op 8 april 1980 is getrouwd met [C] en dat dit huwelijk op 13 juli 1998 is ontbonden. Verzoeker stelt te zijn geboren uit een huwelijk tussen [A] en [D]. Van dit huwelijk is geen huwelijksakte overgelegd. Het huwelijk (“Mariage Coutumier”) wordt alleen genoemd in het door verzoeker overgelegde nadere document d.d. 15 maart 2011 in verband met de verzochte registratie van zijn geboorteakte. Dit document is thans onderwerp van een verificatieonderzoek. De rechtsgeldigheid van het huwelijk waaruit verzoeker stelt te zijn geboren staat derhalve geenszins vast. Afgezien hiervan is niet gesteld of gebleken dat het gestelde huwelijk tussen [A] en [D] is gesloten vóór het huwelijk van [A] met [C]. Indien wordt uitgegaan van een nadien buiten Nederland rechtsgeldig gesloten huwelijk tussen [A] en [D], zoals door verzoeker wordt gesteld, dan zou dit betekenen dat verzoeker is geboren uit een polygaam huwelijk. Aan dat huwelijk wordt erkenning onthouden wegens strijd met de Nederlandse openbare orde. De stellingen van verzoeker ter zitting dat het betreffende huwelijk niet is vernietigd en dat de IND zich ook niet op het standpunt heeft gesteld dat dit huwelijk nietig is en dus van de rechtsgeldigheid ervan moet worden uitgegaan, doen in zoverre niet terzake, zodat de rechtbank aan die stellingen voorbij gaat. Ten slotte zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die nopen tot de conclusie dat [A] op andere gronden dan het door verzoeker gestelde huwelijk met [D] als juridische vader van verzoeker dient te worden aangemerkt.
4.3 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [A] niet kan worden aangemerkt als de juridische vader van verzoeker noch op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder a, WNI, noch op grond van artikel 1, aanhef en onder d, RWN.
4.4 Daarmee kan in het midden blijven of [A] het door hem door geboorte verkregen Nederlanderschap op 23 april 1974 heeft verloren door het niet tijdig afleggen van een kennisgeving ex artikel 7 lid 5 WNI Pro.
4.5 Niet is gebleken dat verzoeker op andere wijze het Nederlanderschap heeft verkregen.
4.6 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. Paris, mr. G.L.M. Urbanus en mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 13 december 2012.