ECLI:NL:RBSHE:1999:AA4622

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 november 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 98/8154 ABP
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.A.M. Penders
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 BWOOArt. 4 BWOOArt. 4 lid 3 BWOOArt. 4a BWOOArt. 3 lid 1 BWOO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering werkloosheidsuitkering onderwijs- en onderzoekspersoneel

Eiseres werkte van januari 1994 tot april 1998 bij een supermarkt en daarna tijdelijk als administratief kracht bij een onderwijsinstelling. Na het einde van haar tijdelijke dienstverband vroeg zij een werkloosheidsuitkering aan op grond van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (BWOO). Verweerder weigerde deze uitkering, stellende dat eiseres niet voldeed aan de vereiste arbeidsduur van 26 weken binnen 39 weken voorafgaand aan de werkloosheid.

De rechtbank oordeelde dat het relevante artikel 4 lid 3 BWOO Pro waarop verweerder zich baseerde, per 1 augustus 1998 was vervallen, waardoor het besluit reeds op die grond vernietigd moest worden. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat het BWOO niet vereist dat de arbeid als betrokkene in het onderwijs is verricht, in tegenstelling tot de Werkloosheidswet. Eiseres had in de 39 weken voorafgaand aan haar werkloosheid voldoende arbeid verricht.

Verder werd vastgesteld dat eiseres op 25 juli 1998 haar arbeidsuren verloor en daarmee werkloos werd in de zin van het BWOO. De rechtbank concludeerde dat de weigering van verweerder niet op de juiste wettelijke gronden was gebaseerd en vernietigde het besluit. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en eiseres kreeg vergoeding van het betaalde griffierecht.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van de werkloosheidsuitkering wordt vernietigd en verweerder dient een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Uitspraak
AWB 98/8154 ABP
Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen
mevrouw A, wonende te B, eiseres,
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen; USZO Diensten B.V., verweerder, gemachtigde J.H.J. van Gastel.
I. PROCESVERLOOP
Eiseres werkte vanaf 15 januari 1994 tot 5 april 1998 bij supermarkt X. Dit dienstverband is beëindigd op verzoek van eiseres. Zij is vanaf 24 maart 1998 tot 25 juli 1998 gaan werken als administratieve kracht in een tijdelijk dienstverband bij het Y College te B.
Ter zake de hieruit voortvloeiende werkloosheid heeft eiseres op 20 juli 1998 bij verweerder een aanvraag voor een werkloosheidsuitkering ingediend.
Bij besluit van 12 augustus 1998 heeft verweerder geweigerd eiseres met ingang van 25 juli 1998 in aanmerking te brengen voor een werkloosheidsuitkering ingevolge het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel (BWOO).
Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is door verweerder bij besluit van 25 september 1998 ongegrond verklaard onder handhaving van het eerder ingenomen standpunt.
Op de daartoe in het beroepschrift van 23 oktober 1998 uiteengezette gronden heeft eiseres tegen laatstgenoemd besluit beroep ingesteld en gevorderd het bestreden besluit te vernietigen.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 8 oktober 1999, waar eiseres niet is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.
Verweerder baseert het bestreden besluit op artikel 4 lid 3 van Pro het BWOO.
De rechtbank stelt vast dat dit artikellid reeds met ingang van 1 augustus 1998 is vervallen zodat reeds op die grond het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
In de beroepsprocedure stelt verweerder dat op basis van de artikelen 3, 4 en 4a van het BWOO aan een betrokkene slechts een BWOO-uitkering kan worden toegekend indien en voor zover men minimaal 26 weken (uit 39 weken) als betrokkene in het onderwijs werkzaam is geweest.
De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
Anders dan verweerder stelt ontstaat, ingevolge het bepaalde in artikel 4 BWOO Pro, recht op uitkering voor een betrokkene indien hij in de periode van 39 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten minste 26 weken arbeid heeft verricht. Niet wordt bepaald dat deze arbeid moet zijn verricht als betrokkene. Hierin wijkt deze bepaling af van (de vergelijkbare bepaling in de Werkloosheidswet (WW)) artikel 17 WW Pro waar staat dat als werknemer arbeid moet zijn verricht. In het begrip 'arbeid' in artikel 4 BWOO Pro kan, naar het oordeel van de rechtbank, geen beperking worden gelezen, zoals door verweerder beoogd. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om tegen de achtergrond van de duidelijke tekst van artikel 4 BWOO Pro een mogelijke omissie van de besluitgever te corrigeren.
Niet in geding is dat eiseres in de 39 weken voorafgaande aan haar werkloosheid arbeid heeft verricht. Eiseres voldoet daarmee aan de in artikel 4 BWOO Pro neergelegde referte-eis.
Voor zover verweerder heeft beoogd aan te voeren dat eiseres niet werkloos is geworden als bedoeld in artikel 3 BWOO Pro overweegt de rechtbank als volgt.
In artikel 4 BWOO Pro wordt gerefereerd aan de eerste dag van de werkloosheid, welke is gedefinieerd in artikel 3 lid 6 BWOO Pro. Daarin wordt verwezen naar de kalenderweek waarin zich de situatie voordoet als bedoeld in artikel 3 lid 1 BWOO Pro.
Ingevolge het bepaalde in artikel 3 lid 1 BWOO Pro is werkloos degene die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en die tenminste vijf of tenminste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren en die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.
Onder de hiervoor bedoelde arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal uren waarin de betrokkene in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies aan arbeidsuren gemiddeld per week arbeid als betrokkene heeft verricht.
Eiseres heeft in de 26 weken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het verlies aan arbeidsuren gemiddeld meer dan vijf uren per week als betrokkene gewerkt. Zij heeft op 25 juli 1998 al deze uren verloren, zodat haar werkloosheid op dat moment is ingetreden.
Gezien al het voorgaande kan de weigering van verweerder om eiseres in aanmerking te brengen voor een werkloosheidsuitkering ingevolge het BWOO in ieder geval niet gebaseerd zijn op de door verweerder daaraan ten grondslag gelegde motivering zodat de rechtbank het beroep gegrond acht wegens strijd met de wet. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 Awb Pro, omdat niet is gebleken van kosten als daar bedoeld. Wel dient verweerder aan eiseres te vergoeden het door haar betaalde griffierecht.
Mitsdien wordt beslist als volgt.
III. BESLISSING
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen; - gelast het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht.
Aldus gedaan door mr. P.A.M. Penders als rechter in tegenwoordigheid van N. 't Lam als griffier en uitgesproken in het openbaar op
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Afschrift verzonden: JvdS $$N UITSPRAAK