ECLI:NL:RBSHE:1999:AF0172

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
22 februari 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34571/FT-RK 99.85
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Emmerig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 73a FwArt. 105 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing faillissement wegens verstoring paritas creditorum en vervreemding verpande zaken

Verzoeker heeft op 2 februari 1999 een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het op 3 juli 1996 uitgesproken faillissement, met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft het dossier, waaronder verslagen van de curator, bestudeerd en zowel verzoeker als curator gehoord op zitting.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker onvoldoende heeft voldaan aan zijn verplichtingen jegens de curator zoals bedoeld in artikel 105 Faillissementswet Pro. Tevens heeft verzoeker tijdens het faillissement een informeel akkoord gesloten met enkele geselecteerde crediteuren, gefinancierd met boedelgelden, waardoor de paritas creditorum is verstoord. Dit heeft het de curator onmogelijk gemaakt de juiste staat en omvang van de boedel vast te stellen.

Daarnaast heeft verzoeker kort voor het faillissement één of meerdere zaken die stil verpand waren aan een derde (de bank) vervreemd en de opbrengst geïncasseerd zonder medeweten of instemming van de pandhouder. Gezien deze feiten bestaat er gegronde vrees dat verzoeker tijdens de schuldsaneringsregeling zijn schuldeisers zal benadelen of zijn verplichtingen niet zal nakomen.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot opheffing van het faillissement af.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het faillissement wordt afgewezen wegens verstoring van de paritas creditorum en vervreemding van verpande zaken.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch,
Enkelvoudige kamer
X.
wonende te P.
verzoeker,
heeft op 2 februari 1999 een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het op 3 juli 1996 uitgesproken faillissement van X. onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het ter griffie aanwezige dossier betreffende het lopende faillissement van verzoeker, waarin - ondermeer - opgenomen een viertal verslagen van de curator als bedoeld in artikel 73a Fw.
De rechtbank heeft voorts verzoeker alsmede de curator in zijn faillissement gehoord ter zitting van 22 februari 1999.
De rechtbank is op grond van de aldus verkregen informatie van oordeel dat verzoeker niet danwel in onvoldoende mate jegens de curator heeft voldaan aan zijn verplichting als bedoeld in artikel 105 Fw Pro. en dat hij tijdens zijn faillissement middels een informeel akkoord met enkele door verzoeker geselecteerde crediteuren, gefinancierd met tot de failliete boedel behorende geldmiddelen, doende is geweest met een verstoring van de paritas creditorum een en ander zodanig dat het de curator in zijn faillissement tot op heden niet mogelijk is gebleken de juiste staat en omvang van de failliete boedel te bepalen.
De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verzoeker in een periode kort voor zijn faillissement één of meerdere aan een derde (de bank) - stil - verpande zaken heeft vervreemd en opbrengst hiervan heeft geïncasseerd, zulks buiten medeweten, laat staan instemming, van de pandhouder.
De rechtbank leidt uit vorenstaande af dat er gegronde vrees bestaat dat verzoeker tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.
Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. H. Emmerig, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 1999 in tegenwoordigheid van C.M. Sweep, griffier.