AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bouwvergunning voor woninguitbreiding niet te weigeren wegens strijd met Bouwbesluit aangrenzend pand
Het geschil betreft de weigering van een bouwvergunning voor het vergroten en veranderen van een woning met garage in de binnenstad van 's-Hertogenbosch. Eiseres maakte bezwaar tegen de vergunningverlening omdat door het bouwplan een raam in de gemeenschappelijke muur tussen haar pand en het bouwplan zou worden dichtgemetseld, wat volgens haar de licht- en luchttoetreding van haar pand beperkt en de bouwkundige staat wijzigt.
De rechtbank overweegt dat het Bouwbesluit uitsluitend voorschriften bevat voor het bouwwerk waarvoor de vergunning wordt aangevraagd en niet voor aangrenzende panden. De realisering van het bouwplan is daarom niet strijdig met het Bouwbesluit, ook al leidt het tot beperkingen voor het naastgelegen pand. Tevens biedt de Woningwet geen grondslag om een bouwvergunning te verbinden aan medewerking van derden om zo de vergunning te kunnen weigeren.
De rechtbank stelt vast dat het bouwplan voldoet aan het bestemmingsplan en andere relevante voorschriften, en dat de bouwvergunning op grond van het imperatief-limitatieve karakter van artikel 44 vanPro de Woningwet moest worden verleend. Het beroep van eiseres wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit tot vergunningverlening gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de bouwvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning wordt gehandhaafd.
Uitspraak
ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ’s-HERTOGENBOSCH
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
UITSPRAAK
AWB 00/501
Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 8:70 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen
A, wonende te B, eiseres,
gemachtigde mr. M.J.M. van Gerwen, advocaat te 's-Hertogenbosch,
en
Het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder.
I. PROCESVERLOOP
Bij besluit van 4 mei 1999 is aan Projectontwikkeling C (hierna: vergunninghouder) vergunning verleend voor het vergroten/veranderen van de woning met garage op het perceel […] […], kadastraal bekend gemeente 's-Hertogenbosch, sectie […] nr. […].
Bij schrijven van 14 mei 1999 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Tijdens hoorzittingen van de Commissie bezwaar- en beroepschriften (hierna: de Commissie) van 14 juli 1999 en 22 september 1999 is eiseres in de gelegenheid gesteld haar bezwaren toe te lichten.
Bij besluit van 7 december 1999, verzonden 9 december 1999, heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de Commissie van 22 september 1999 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres op 19 januari 2000, ingekomen ter griffie op 20 januari 2000, beroep ingesteld bij deze rechtbank.
Op 21 december 2000 heeft eiseres haar beroep nader aangevuld.
Verweerder heeft op 24 januari 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en op 30 maart 2000 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank op 5 januari 2001, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. P.W.G.M. Christophe, ambtenaar bij verweerders gemeente.
II. OVERWEGINGEN
In dit geding is de vraag aan de orde of verweerders besluit van 7 december 1999 tot ongegrondverklaring van eiseres' bezwaar tegen het verlenen van een bouwvergunning voor het vergroten/veranderen van de woning met garage op het perceel […] […] in rechte kan worden gehandhaafd.
De rechtbank gaat, bij de beantwoording van deze vraag, uit van de volgende feiten.
Het bouwplan voorziet in het vergroten/veranderen van een woning in de binnenstad van 's-Hertogenbosch. De woning maakt deel uit van aaneengesloten bebouwing. Het bouwplan behelst onder andere de uitbreiding van de woonkamer op de eerste verdieping door het gedeeltelijk bebouwen van een dakterras en het realiseren van een tweede slaapkamer en een dakterras op de tweede verdieping, bovenop de nieuwe uitbouw van de woonkamer.
Ten gevolge van de realisering van het bouwplan, zal een raam in de muur tussen het in geding zijnde pand en het pand van eiseres, dat uitzicht biedt over het bestaande dakterras, worden dichtgemetseld.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de bouwvergunning moest worden verleend omdat er geen grond was om de vergunning te weigeren. Met betrekking tot de namens eiseres in bezwaar aangevoerde grief dat het dicht te metselen zijraam van groot belang is voor de licht- en luchttoetreding van haar pand, is verweerder van mening dat de voorschriften met betrekking tot de toetreding van licht en lucht, zoals die zijn opgenomen in het Bouwbesluit, uitsluitend betrekking hebben op het bouwplan waarvoor bouwvergunning wordt aangevraagd en niet op eventuele belendende bebouwing.
Eiseres is evenwel van mening dat het bouwplan tevens betrekking heeft op haar perceel. De muur waarin het dicht te metselen raam zich bevindt, is namelijk een gemeenschappelijke muur. In het aanvullend beroepschrift heeft eiseres haar standpunt dienaangaande aangepast, in die zin dat notarieel onderzoek zou hebben uitgewezen dat die muur niet gemeenschappelijk is, maar eigendom is van eiseres. Eiseres is verder van mening dat door het dichtmetselen van het raam niet alleen de licht- en luchttoetreding wodt beperkt, maar dat sprake is van een wijziging van de bouwkundige staat van haar pand.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 44 WoningwetPro mag de bouwvergunning alleen en moet de bouwvergunning worden geweigerd, indien:
a. het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens de in artikel 2 bedoeldePro algemene maatregel van bestuur (Bouwbesluit) gegeven voorschriften;
b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening;
c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;
d. het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan artikel 12, eerste lid (redelijke eisen van welstand), of
e. voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.
Deze bepaling heeft een imperatief-limitatief karakter. Dit betekent dat de bouwvergunning moet worden verleend, als geen van de in artikel 44 genoemdePro weigeringsgronden zich voordoet. Het zojuist genoemde karakter van artikel 44 vanPro de Ww staat eraan in de weg dat bij de beoordeling van een aanvraag om bouwvergunning een belangenafweging plaatsvindt.
Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Stadskern", rust op het onderhavige perceel de bestemming: "gemengde doeleinden klasse II".
Ingevolge artikel 6, lid 1, onder I, sub a, zijn maximaal 50 bouwpercelen met deze bestemming op de begane grond en maximaal alle bouwpercelen, respectievelijk minimaal 286 bouwpercelen op de verdiepingen bestemd voor woondoeleinden. Deze percelen mogen voor 100% worden bebouwd. De goothoogte mag, ingevolge artikel 1, onder g, van de voorschriften omtrent het bouwen en de aanduiding op plankaart 2, maximaal 10 meter bedragen.
Het bouwplan voldoet aan deze voorschriften. De rechtbank is niet gebleken dat het bouwplan op andere punten niet aan het bestemmingsplan voldoet. De rechtbank betrekt bij haar oordeel dat van de zijde van verweerder ter zitting desgevraagd is aangegeven dat het aantal van 50 bouwpercelen op de begane grond in het betrokken plangebied door het bouwplan niet wordt overschreden, hetgeen van de zijde van eiseres niet is weersproken. Eiseres heeft haar stelling dat mede aan de hand van paragraaf 2 in relatie tot paragraaf 3 en van de artikelen 4, 5 en 6 van de planvoorschriften moet worden bepaald of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan onvoldoende onderbouwd.
Met betrekking tot de grief van eiseres dat verweerder bij de beoordeling van de aanvraag aandacht had moeten schenken aan het ontstaan van een met het Bouwbesluit strijdige situatie ten aanzien van haar pand, overweegt de rechtbank als volgt.
Met het Bouwbesluit is in essentie beoogd om, uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid, technische voorschriften te geven omtrent het bouwen van gebouwen en omtrent de staat van bestaande bouwwerken, alsmede om uit het oogpunt van energiezuinigheid technische voorschriften te geven omtrent het bouwen van gebouwen. Het Bouwbesluit voorziet niet in een regeling voor het geval dat een bouwwerk, ten gevolge van de realisering van een ander bouwwerk, niet meer aan de voorschriften van dat besluit kan voldoen. De realisering van het in geding zijnde bouwplan is, ook als een deel van het aangrenzende pand daardoor niet meer aan de eisen van het Bouwbesluit voor daglicht- en luchttoetreding kan voldoen, niet met het Bouwbesluit in strijd. De gevraagde bouwvergunning kan dan ook niet wegens strijdigheid met dat besluit worden geweigerd.
Namens eiseres is ter zitting nog gewezen op jurisprudentie van de - voormalige - Afdeling rechtspraak van de Raad van State. De namens eiseres genoemde uitspraak van de Afdeling gepubliceerd in AB 1980, 332 heeft betrekking op de situatie dat door verweerder niet of onvoldoende was onderzocht of door de realisering van het betrokken bouwplan ten aanzien van een ander bouwwerk strijdigheid zou ontstaan met de bouwverordening. Anders dan in het Bouwbesluit, was in de desbetreffende bouwverordening zelf een bepaling opgenomen die een dergelijke strijdigheid moest voorkomen. Deze uitspraak is voor het huidige geschil dan ook niet relevant.
De rechtbank vermag niet in te zien in welk opzicht de uitspraak van de Afdeling gepubliceerd in AB 1985, 532 voor het onderhavige geschil relevant zou kunnen zijn. Die uitspraak heeft betrekking op een aan de bouwvergunning verbonden voorwaarde betreffende een vluchtweg, waaraan slechts zou kunnen worden voldaan indien een ten dienste van het desbetreffende perceel gevestigde erfdienstbaarheid van doorgang toereikend zou zijn. Verweerder in dat geschil had echter nagelaten te onderzoeken of, gelet op die erfdienstbaarheid, al dan niet aan de gestelde voorwaarde kon worden voldaan, hetgeen twijfelachtig bleek. De Afdeling heeft zich in die uitspraak echter niet uitgelaten over de vraag of, door het verbinden van een voorwaarde aan de vergunning die de uitvoering van het bouwplan afhankelijk stelt van de medewerking van een derde, weigering van een bouwvergunning kan worden voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat de Woningwet voor het verbinden van een dergelijk voorschrift aan een bouwvergunning geen basis biedt.
Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van een grond om de vergunning te weigeren, zodat de bouwvergunning, gelet op het imperatief-limitatieve karakter van artikel 44 vanPro de Ww, moest worden verleend.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit van 7 december 1999 in rechte kan worden gehandhaafd. Het beroep dient mitsdien voor ongegrond te worden gehouden.
De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 vanPro de Awb.
Mitsdien wordt als volgt beslist.
III. BESLISSING
De rechtbank,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange als rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Autar als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2001.
Mr. A.A. Autar, de griffier, is buiten staat
om de uitspraak mede te ondertekenen.
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.