ECLI:NL:RBSHE:2002:AE1204

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
28 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01.025008.02
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Struijs
  • Claassens
  • Lavrijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 4 Wet op de GeneesmiddelenvoorzieningArt. 38 WEDArt. 39 WED (oud)Art. 56 lid 4 Wet RO (oud)Art. 45 Wet RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd voor behandeling economisch delict Wet op de Geneesmiddelenvoorziening

De rechtbank 's-Hertogenbosch behandelde een zaak waarbij verdachte werd beschuldigd van een economisch delict, namelijk overtreding van art. 3 lid 4 van Pro de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. De dagvaarding voldeed aan alle wettelijke eisen en het feit werd als economisch delict aangemerkt conform de Wet op de economische delicten.

De officier van justitie voerde aan dat ondanks het vervallen van art. 56 lid 4 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie per 1 januari 2002, de commune strafrechter bevoegd bleef om economische delicten te behandelen. De rechtbank oordeelde echter dat op grond van art. 38 WED Pro sinds die datum de exclusieve bevoegdheid bij de economische strafrechter ligt.

De rechtbank verwierp het verweer dat de oude competentiebepaling in de huidige wetgeving kon worden ingelezen, omdat dit een taak van de wetgever is en niet van de rechter. Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van het tenlastegelegde economische delict.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het economisch delict en wijst de zaak af.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Parketnummer: 01/025008/02
Uitspraakdatum: 28 maart 2002
S T R A F V O N N I S
Verkort vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
wonende te [woonplaats], [adres].
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 maart 2002.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 27 februari 2002.
Een afschrift van de dagvaarding is aan dit vonnis gehecht.
De geldigheid van de dagvaarding.
De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.
De bevoegdheid van de rechtbank.
Als feit 3 van de inleidende dagvaarding - welk feit door de rechtbank is afgesplitst en thans als enige feit ter beoordeling staat - is aan verdachte ten laste gelegd de overtreding van art. 3 lid 4 van Pro de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening. Blijkens art. 1 van Pro de Wet op de economische delicten is dit een economisch delict.
Tot 1 januari 2002 was de commune strafrechter bevoegd om van economische delicten kennis te nemen en wel op grond van art. 56 lid 4 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie (oud).
Laatstgenoemde bepaling is per 1 januari 2002 vervallen.
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat desondanks de commune strafrechter bevoegd is gebleven om kennis te nemen van economische delicten. Daartoe heeft hij het volgende aangevoerd:
(i) in art. 39 WED Pro (oud) werd bepaald dat de rechtbanken economische kamers vormen voor het bij uitsluiting behandelen en beslissen van economische delicten. In de nieuwe redactie van deze bepaling, zoals deze luidt sedert 1 januari 2002, komen de woorden 'bij uitsluiting' niet meer voor, zodat er geen beletsel is om economische delicten aan te brengen bij de commune strafrechter.
(ii) overigens is sprake van een kennelijke vergissing van de wetgever door het niet opnemen in de nieuwe wetgeving van de competentie zoals deze voorheen in art. 56 lid 4 wet Pro RO (oud) was geregeld. Nu de wetgever dit niet heeft beoogd en het wegvallen van de competentie van de commune strafrechter betreffende economische delicten indruist tegen de belangen van een goede strafrechtsbedeling, kan de competentiebepaling van art. 56 lid 4 Wet Pro RO (oud) worden "ingelezen" in het huidige art. 45 Wet Pro RO.
Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij HR 31 maart 1998, NJ 1998, 779.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ad (i)
Wat ook zij van de onder (i) weergegeven argumentatie, deze ziet voorbij aan hetgeen sedert 1 januari 2002 wordt bepaald in art. 38 WED Pro. Dit artikel luidt als volgt:
De kennisneming van economische delicten in eerste aanleg is bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank.
Economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Art. 38 WED Pro noch enige andere bepaling voorziet in uitzonderingen op de regel dat economische delicten moeten worden behandeld door de economische strafrechter. Derhalve is ingevolge de tweede volzin van art. 38 WED Pro de kennisneming van economische delicten bij uitsluiting opgedragen aan de economische strafrechter en is de commune strafrechter niet bevoegd van deze delicten kennis te nemen.
Ad (ii)
De rechtbank acht zich niet vrij om de per 1 januari 2002 vervallen competentie-bepaling van art. 56 lid 4 Wet Pro RO (oud) in te lezen in de huidige wetgeving.
De competentieregeling is per 1 januari 2002 gewijzigd doordat oude bepalingen zijn vervallen en nieuwe daarvoor in de plaats zijn gekomen. Dat de wetgever geen inhoudelijke wijziging zou hebben gewenst en dat het bepaalde in art. 56 lid 4 Wet Pro RO (oud) slechts abusievelijk niet is opgenomen in de huidige wetgeving is - mede gezien de stellige redactie van art. 38, tweede volzin, WED - niet met zekerheid te zeggen. Evenmin is met zekerheid te zeggen hoe de wetgever, als hij beoogt dat de commune strafrechter bevoegd is om economische delicten te berechten, deze competentie precies wil regelen.
Het maken van keuzes omtrent de bevoegdheid van de rechter is voorbehouden aan de wetgever. Het is niet aan de rechter om rechtsvormend op te treden door wettelijke bepalingen die er niet zijn "in te lezen", te meer niet nu het gaat om wettelijke bepalingen van organieke aard die de bevoegdheid van de rechter regelen.
De rechtbank overweegt dat het vervallen van de competentie van de commune strafrechter betreffende economisch delicten niet steeds in het belang is van een efficiënte rechtspleging, maar dat dit niet wegneemt dat economische delicten kunnen worden berecht en wel door de economische strafrechter. In zoverre is geen sprake van een onaanvaardbare benadeling van de belangen van een goede strafrechtsbedeling.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat zij, zittend als commune strafrechter, niet bevoegd is om kennis te nemen van economische delicten. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om kennis te nemen van het als feit 3 van de inleidende dagvaarding ten laste gelegde.
DE UITSPRAAK
De rechtbank:
verklaart zich onbevoegd tot kennisneming van het in de inleidende dagvaarding onder 3 tenlastegelegde feit.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. Struijs, voorzitter,
mr. Claassens en mr. Lavrijssen, leden,
in tegenwoordigheid van dhr. Verhagen, griffier
en is uitgesproken op 28 maart 2002.