ECLI:NL:RBSHE:2004:AO2913
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.H.W. Rullmann
- M.A. van de Laarschot
- M.G.P.A. Burghoorn
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering wegens eenzijdige annulering vervoersovereenkomst onder Belgisch recht
In deze zaak staat centraal of tussen Flamar en GTC een vervoersovereenkomst tot stand is gekomen en welk recht daarop van toepassing is. Flamar vordert betaling van USD 100.000,- wegens eenzijdige annulering van de vervoersovereenkomst door GTC. GTC betwist het bestaan van een overeenkomst en de toepasselijkheid van Belgisch recht.
De rechtbank stelt vast dat op grond van het EEG Verbintenissenverdrag (EVO) Belgisch recht van toepassing is, aangezien de vervoerder zijn hoofdvestiging in België heeft. Uit de correspondentie blijkt dat op 13 mei 1998 een overeenkomst tot stand is gekomen voor het vervoer van 20 bussen van Antwerpen naar Kingston. GTC heeft de overeenkomst op 6 juli 1998 eenzijdig verbroken, omdat haar opdrachtgever een andere expediteur en rederij wilde inschakelen.
Toepassing van artikel 120, vierde lid van de Belgische Zeewet leidt ertoe dat GTC aan Flamar een forfaitaire vergoeding van 50% van de vrachtprijs verschuldigd is, zonder dat Flamar schade hoeft aan te tonen of ingebrekestelling nodig is. De rechtbank wijst de vordering van Flamar toe tot een bedrag van € 92.230,83, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Uitkomst: GTC wordt veroordeeld tot betaling van € 92.230,83 aan Flamar wegens eenzijdige annulering van de vervoersovereenkomst onder Belgisch recht.