ECLI:NL:RBSHE:2004:AO8258

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
15 april 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 03/2604 WW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.W. Govers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 16 lid 1 juncto lid 9 WWArt. 19 lid 1 aanhef en onder k WWAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke toetsing van vakantiedag bij werkloosheid en WW-uitkering

Eiseres werd volgens eigen opgave op 27 mei 2003 werkloos en vertrok diezelfde dag om 21.00 uur met het vliegtuig op vakantie. Verweerder stelde dat zij vanaf die dag op vakantie was en daarom geen recht had op WW-uitkering. De rechtbank constateerde dat niet duidelijk was of 27 of 28 mei als eerste werkloosheidsdag gold, maar ging uit van 27 mei 2003.

De kern van het geschil betrof de vraag of eiseres op 27 mei reeds vakantie genoot zoals bedoeld in artikel 19 lid 1 sub k van Pro de WW. De rechtbank vond dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar het feit of eiseres die dag al vakantievoorbereidingen trof en oordeelde dat het vertrek om 21.00 uur onvoldoende was om die dag als vakantiedag te kwalificeren.

Het besluit werd vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. De rechtbank nam daarbij mee dat eiseres op haar werkbriefje had aangegeven niet te solliciteren vanwege vakantie, waardoor zij op 27 mei niet beschikbaar was voor arbeid en die dag niet als eerste werkloosheidsdag kon gelden.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar vakantiegenot op de eerste werkloosheidsdag.

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH
sector bestuursrecht
enkelvoudige kamer
UITSPRAAK
AWB 03/2604 WW
Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen
A, wonende te B, eiseres,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam, verweerder,
gemachtigde L. den Hartog, werkzaam bij het UWV-kantoor te Eindhoven.
I. PROCESVERLOOP
Eiseres is (volgens haar) op dinsdag 27 mei 2003 werkloos geworden. Op diezelfde dag is zij om 21.00 uur met het vliegtuig vertrokken voor een vakantie in het buitenland. Bij besluit van 18 juni 2003 heeft verweerder bepaald dat eiseres op 27 mei 2003 op vakantie was en dat zij deswege niet ingaande die datum recht had op uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW). Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 september 2003 ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit heeft eiseres beroep ingesteld.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 april 2004, waar eiseres niet is verschenen. Verweerder heeft zich daar door zijn gemachtigde doen vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank merkt allereerst op dat uit het dossier niet geheel duidelijk is of verweerder 27 mei 2003 of 28 mei 2003 als (in beginsel) de eerste werkloosheidsdag heeft aangemerkt. De rechtbank gaat er echter vanuit - nu er in casu sprake was van een arbeidscontract voor een jaar, ingegaan met ingang van 27 mei 2002, en de werkgever bij brief van 15 mei 2003 aan eiseres heeft medegedeeld dat haar dienstverband eindigde “per 27-05-2003” - dat eiseres op 27 mei 2003 voor het eerst haar arbeidsuren heeft verloren.
Partijen twisten met name over het antwoord op de vraag of eiseres reeds op 27 mei 2003 “vakantie genoot” als bedoeld in artikel 19, lid 1, aanhef en onder k, van de WW. Volgens eiseres genoot zij op die dag nog geen vakantie en was zij toen beschikbaar voor het verrichten van arbeid.
De rechtbank constateert dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht naar het punt of eiseres op 27 mei 2003 zich al dan niet voornamelijk heeft bezig gehouden met vakantievoorbereidingen, in welk geval er - zo meent de rechtbank - misschien op die dag reeds sprake had kunnen zijn “vakantie genieten”. Het enkele gegeven dat het vliegtuig op 27 mei 2003 ‘s avonds om 21.00 uur vertrok (van het dichtbij eiseresses woonplaats gelegen vliegveld Eindhoven) heeft op zichzelf te weinig gewicht om reeds die dag aan te merken als vakantiedag.
Het bestreden besluit komt mitsdien in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en zal deswege - met gegrondverklaring van het daartegen gerichte beroep - worden vernietigd.
De rechtbank zal evenwel de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand laten en overweegt daartoe het volgende. Volgens mededeling ter zitting van verweerders gemachtigde heeft eiseres op het werkbriefje over de periode van 26 mei 2003 tot en met 1 juni 2003 aangegeven dat zij toen niet solliciteerde “omdat ik op vakantie ben”. De rechtbank acht geen grond aanwezig om aan de juistheid van die mededeling te twijfelen. Op grond hiervan houdt de rechtbank het er voor dat eiseres op 27 mei 2003 nog niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden, zodat die dag - gezien het bepaalde in artikel 16, lid 1 juncto lid 9, van de WW - niet kon worden beschouwd als haar eerste werkloosheidsdag.
III. BESLISSING
De rechtbank,
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
- gelast het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiseres te vergoeden het door haar gestorte griffierecht ad € 31,00.
Aldus gedaan door mr. A.W. Govers als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van J. de Best als griffier op 15 april 2004.
Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Afschrift verzonden: