ECLI:NL:RBSHE:2004:AP4509

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
18 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
106785 FA RK 04-608
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot wijziging partneralimentatie vastgesteld in echtscheidingsconvenant

De man verzocht de rechtbank om wijziging van de bij echtscheidingsconvenant overeengekomen partneralimentatie, stellende dat destijds een onjuiste maatstaf voor de redelijke woonlast was gehanteerd. De rechtbank oordeelde dat hoewel de alimentatie bij overeenkomst was vastgesteld, dit verzoek niet tot niet-ontvankelijkheid leidde. De man stelde dat de woonlasten onjuist waren berekend en verwees naar een Trema-rapport ter onderbouwing.

De vrouw verweerde zich met het standpunt dat de man akkoord was gegaan met de overeengekomen berekening en dat een overeenkomst betreffende levensonderhoud niet zomaar gewijzigd kan worden. De rechtbank stelde vast dat de beoordeling van redelijke woonlast subjectief is en dat het Trema-rapport slechts een richtlijn biedt, geen wettelijke maatstaf.

De rechtbank concludeerde dat de overeenkomst niet met grove miskenning van wettelijke maatstaven was aangegaan en dat de man zich bij onduidelijkheid had moeten informeren. Daarom werd het verzoek tot wijziging van alimentatie afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van de partneralimentatie wordt afgewezen als ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
BESCHIKKING
Zaaknummer : 106785 / FA RK 04-608
Uitspraak : 18 juni 2004
Beschikking betreffende alimentatie in de zaak van
[ namen verzoeker]
wonende te [woonplaats verzoeker]
procureur mr. W.F.M. Giebels-Derks,
tegen
[namen verweerster],
wonende te [woonplaats verweerster],
procureur mr. R. Vat,
partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.
De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
– het verzoekschrift van de man, ontvangen ter griffie op 12 februari 2004;
– het verweerschrift van de vrouw;
– de correspondentie, waaronder met name:
– de brief (met bijlagen) van mr. Giebels-Derks van 26 april 2004;
– de brief (met bijlage) van mr. Giebels-Derks van 14 mei 2004 en
– de brief (met bijlagen) van mr. El Dahri van 19 mei 2004.
De zaak is behandeld ter zitting van 14 mei 2004. Verschenen zijn partijen. De man is ter zitting bijgestaan door mr. Giebels-Derks, de vrouw door mr. K. El Dahri (kantoorgenoot van mr. Vat).
Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.
De man verzoekt wijziging van alimentatie op de gronden en op de wijze zoals in het verzoekschrift is vermeld.
De vrouw verweert zich tegen voormeld verzoek.
De beoordeling
Partijen zijn gehuwd geweest. Het huwelijk is op 7 mei 2001 ontbonden door inschrijving van de door deze rechtbank gegeven echtscheidingsbeschikking van 4 mei 2001. Bij de echtscheidingsbeschikking werd de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie vastgesteld op fl. 900,-- (? 408,40) per maand.
Ontvankelijkheid
De man stelt dat de vastgestelde alimentatie van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan doordat bij de vaststelling daarvan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek omdat de alimentatie destijds bij overeenkomst is bepaald en in een convenant is opgenomen. Een overeenkomst betreffende levensonderhoud kan niet op de door de man aangevoerde gronden worden gewijzigd.
De rechtbank is onder verwijzing naar HR 19 november 1982 (NJ 1983/494) van oordeel dat nu de rechtbank zich bij de vastlegging van de alimentatie heeft geconformeerd aan hetgeen partijen te dien aanzien waren overeengekomen in dit geval wijziging van het convenant op grond van het vijfde lid van artikel 1:401 BW Pro had moeten worden gevraagd.
De rechtbank is echter van oordeel dat dit niet hoeft te leiden tot niet ontvankelijkheid. De man verzoekt materieel gezien om wijziging van de alimentatie, stellende dat partijen destijds een verkeerde maatstaf hebben aangelegd bij de beoordeling van de redelijke woonlast. De rechtbank vult de door de man aangevoerde rechtsgrond aan en zal beoordelen of de door de man aangevoerde feiten leiden tot de conclusie dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.
De man is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.
De beoordeling
In de toelichting ter zitting op zijn verzoek stelt de man dat bij de berekening van zijn draagkracht niet volledig met zijn woonlasten rekening is gehouden en dat een matiging is toegepast omdat sprake zou zijn van een onredelijke woonlast.
De man stelt dat de matiging onjuist is berekend, daartoe verwijzende naar het Trema-rapport.
De vrouw stelt dat partijen verschillende alimentatieberekeningen onder ogen hebben gekregen en dat de man akkoord is gegaan met de als bijlage 2 bij de brief van 26 april 2004 overgelegde berekening (model V). In deze berekening is als maximaal redelijke woonlast fl. 1.000,00 opgenomen. De bereikte overeenstemming is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst d.d. 21 februari 2001 en opgenomen in het convenant d.d. 21 april 2001.
De man betwist dit niet. Hij stelt echter dat hij niet de kennis had om te kunnen beoordelen of de redelijke woonlast op de juist wijze was bepaald.
De rechtbank is van oordeel dat het feit dat partijen de onredelijke woonlast op een andere wijze hebben bepaald dan thans door de werkgroep alimentatienormen wordt aanbevolen, niet tot de conclusie kan leiden dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. De beoordeling of een woonlast al dan niet als redelijk wordt aangemerkt is subjectief en afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De in het Trema-rapport genoemde berekeningswijze van de redelijke woonlast biedt slechts een handvat en is geen wettelijke maatstaf.
In de berekening waarvan partijen bij de vaststelling van de alimentatie uit zijn gegaan is duidelijk aangegeven welke maximaal redelijke woonlast wordt gehanteerd en welke korting is toegepast. Als hier bij de man onduidelijkheid over bestond had hij zich nader moeten informeren. Dat hij dit niet heeft gedaan moet voor zijn rekening en risico blijven.
Gelet op het voorgaande dient het verzoek van de man te worden afgewezen.
De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding de man te veroordelen in de proceskosten zoals door de vrouw was verzocht.
De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek van de man af als zijnde ongegrond;
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout, rechter,
en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2004 in aanwezigheid van de griffier.