ECLI:NL:RBSHE:2004:AP4700
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtsbijstandverlener geen belanghebbende bij intrekking toevoegingen wegens onjuiste gegevens
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of een rechtsbijstandverlener als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit tot intrekking van voorwaardelijke en definitieve toevoegingen wegens onjuiste of onvolledige gegevens. Eisers zijn een cliënt en diens gemachtigde advocaat, waarbij de advocaat het administratief beroep heeft ingesteld tegen de intrekking.
De rechtbank stelt vast dat de rechtsbijstandverlener geen eigen rechtstreeks belang heeft bij de intrekking, anders dan in situaties waarin reeds verleende toevoegingen worden omgezet of geschil bestaat over meerwerktoestemming. De intrekking in deze zaak betreft onjuiste vermelding van vermogen door de cliënt, waarbij de advocaat geen financieel belang heeft dat losstaat van dat van de cliënt.
De rechtbank oordeelt dat het administratief beroep van de advocaat ten onrechte ontvankelijk is verklaard en verklaart dit beroep niet-ontvankelijk. Het beroep van de cliënt wordt inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard, omdat de rechtbank de uitleg van de schuldbekentenis als een opeisbare vordering deelt, waardoor het vermogen onjuist is opgegeven.
De rechtbank gelast vergoeding van het griffierecht aan de advocaat en wijst verdere proceskostenveroordeling af. De uitspraak bevestigt dat alleen in specifieke gevallen een rechtsbijstandverlener als belanghebbende kan worden aangemerkt bij toevoegingsbesluiten.
Uitkomst: Het beroep van de advocaat wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van de cliënt ongegrond; intrekking van toevoegingen blijft gehandhaafd.