ECLI:NL:RBSHE:2005:AT2736

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
29 maart 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/070815-04
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a WvSr (oud)Art. 14b WvSr (oud)Art. 14c WvSr (oud)Art. 23 WvSr (oud)Art. 24 WvSr (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor vervoer van AI-gevoelige kippen tijdens vogelpestvervoersverbod

Op 4 juni 2003 heeft verdachte binnen de vervoersbeperkingsgebieden Maasbree en Veghel opzettelijk AI-gevoelige kippen vervoerd, in strijd met het vervoersverbod ingesteld tijdens de vogelpestcrisis. Dit was strafbaar gesteld op grond van de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003 en de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

Verdachte voerde aan dat zij handelde uit zorg voor haar dieren, die zij wilde redden van een zekere dood, en dat zij daarom de wettelijke vervoersregels heeft overtreden. De rechtbank oordeelde echter dat de minister bevoegd was om dergelijke vervoersverboden in te stellen ter voorkoming van dierziekten en dat verdachte zich aan deze regels had te houden. Er was geen sprake van een rechtens relevant conflict van plichten.

De rechter achtte bewezen dat verdachte het vervoersverbod heeft overtreden en sprak haar daarvoor schuldig uit. Wel werd rekening gehouden met haar persoonlijke omstandigheden en het feit dat zij handelde uit liefde voor haar dieren, wat leidde tot strafmatiging.

De opgelegde straf bestond uit een geldboete van 1500 euro, waarvan 600 euro voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een subsidiaire hechtenis van 30 dagen, waarvan 12 dagen voorwaardelijk. Verdachte werd vrijgesproken van andere tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een geldboete van 1500 euro, waarvan 600 euro voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een subsidiaire hechtenis van 30 dagen, waarvan 12 dagen voorwaardelijk.

Uitspraak

RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Parketnummer: 01/070815-04
Uitspraakdatum: 29 maart 2005
VERKORT VONNIS
Verkort vonnis van de economische politierechter in bovengenoemde rechtbank 's-Hertogenbosch in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te (geboorteplaats) op (geboortedatum) 1961,
wonende te (woonplaats), (adres).
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 maart 2005.
De economische politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 januari 2005.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 4 juni 2003 in de gemeente Maasbree, zijnde dit binnen het
vervoersbeperkingsgebied Nederweert, genoemd in bijlage I onderdeel 1 onder 2
behorende bij de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003 en/of in de
gemeente Veghel, zijnde dit binnen het vervoersbeperkingsgebied Gelderse
Vallei- Beneden Leeuwen, genoemd in bijlage I onderdeel i onder 1 behorende
bij voornomede Regeling, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,
althans alleen, al dan niet opzettelijk AI-gevoelige dieren (kippen) heeft
vervoerd;(zaak 2.3., pagina 669 en volgende alsmede 724 en volgende van het
proces-verbaal)
(artikel 3 lid 1 onder Pro a van voornoemde Regeling juncto artikel 30 van Pro de
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, strafbaar gesteld in artikel 1 onder Pro
1e van de Wet op de economische delicten)
Tengevolge van een kennelijke schrijffout in de tenlastelegging begaan staat in de vijfde regel "bijlage I onderdeel i onder 1" vermeld in plaats van "bijlage I onderdeel 1 onder 1" en in de zesde regel "voornomede" in plaats van "voornoemde". De economische politierechter herstelt deze schrijffouten en leest telkens het laatste in plaats van het eerste. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De geldigheid van de dagvaarding.
De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.
De bevoegdheid van de economische politierechter.
Krachtens de wettelijke bepalingen is de economische politierechter bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
Schorsing der vervolging.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.
De rechtmatigheid van de bewijsmiddelen.
Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer aangevoerd dat zij haar verklaringen, zoals opgenomen in het dossier, niet in vrijheid heeft kunnen afleggen.
De economische politierechter acht niet aannemelijk geworden dat verdachte door de medewerkers van de AID op een ontoelaatbare wijze onder druk is gezet, waardoor zij niet in vrijheid zou hebben kunnen verklaren. De economische politierechter is dan ook van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden, die aan het gebruik van door verdachte in de voorfase afgelegde verklaringen in de weg staan.
De bewezenverklaring.
De economische politierechter acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
op 4 juni 2003 in de gemeente Maasbree, zijnde dit binnen het vervoersbeperkingsgebied Nederweert, genoemd in bijlage I onderdeel 1 onder 2 behorende bij de Regeling
vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003, en in de gemeente Veghel, zijnde dit binnen het vervoersbeperkingsgebied Gelderse Vallei- Beneden Leeuwen, genoemd in bijlage I onderdeel 1 onder 1 behorende bij voornoemde Regeling, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
opzettelijk AI-gevoelige dieren (kippen) heeft vervoerd.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard is naar het oordeel van de economische politierechter niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De kwalificatie.
Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde feit.
De strafbaarheid.
Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat zij zich, als houder van huisdieren, wilde houden aan de wettelijke verplichting goed voor haar dieren te zorgen. Zij zag zich daardoor genoodzaakt haar gezonde dieren van een zekere dood te redden. Zij stelde bewust ervoor te hebben gekozen de wettelijke verplichting om voor het welzijn van haar dieren te zorgen, zwaarder te laten wegen dan de regels die de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij tijdens de crisis hanteerde. Verdachte acht zich derhalve niet schuldig aan het plegen van enig strafbaar feit.
De economische politierechter overweegt dat de artikelen 17, 21 en 22 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren het voor de Minister mogelijk maken om, ter voorkoming van overbrenging van besmettelijke dierziekten, af te wijken van artikel 36 van Pro deze wet (inhoudende dat het verboden is om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen). De Minister is derhalve bevoegd vergaande maatregelen te treffen, ook indien deze inhouden het instellen van een vervoersverbod of het doden van dieren in bepaalde gebieden.
Een ieder, inclusief verdachte, heeft zich in crisissituaties als de onderhavige aan de dan vigerende regelgeving te houden. Niet aannemelijk is geworden dat in dezen voor verdachte bijzondere omstandigheden hebben gegolden die voor haar een uitzonderingspositie zouden rechtvaardigen.
Van een rechtens relevant conflict van plichten kan derhalve niet gesproken worden.
De economische politierechter verwerpt het verweer van verdachte.
Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van verdachte uitsluiten.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op de artikelen:
14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht
1(oud), 2, 6 en 87 van de Wet op de economische delicten
1, 15, 30 en 131 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
1, 2, 3 en 15 van de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003 (oud)
DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID
De eis van de officier van justitie.
een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.
De op te leggen straf.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de economische politierechter gelet op:
a. de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan.
b. de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder de draagkracht.
Bij de strafoplegging zal de economische politierechter in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben geleid:
- verdachte kwam ter terechtzitting authentiek over wat betreft het handelen uit liefde voor haar dieren;
- de uitvoering van het beleid van de Minister heeft bij verdachte geleid tot gevoelens van verdriet en onmacht (waarvoor de economische politierechter begrip op kan brengen), tengevolge waarvan verdachte kennelijk geen andere uitweg heeft gezien dan het plegen van het strafbare feit;
- sedert het tijdstip waarop het door verdachte gepleegde feit heeft plaatsgehad is inmiddels geruime tijd verstreken (bijna twee jaar).
Met betrekking tot een deel van de op te leggen geldboete zal de economische politierechter bepalen dat dat deel van die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat zij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De economische politierechter wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.
UITSPRAAK
Verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, opzettelijk begaan (artikel 3, eerste lid en onder a, van de Regeling vervoersbeperkingsgebieden pluimvee 2003 (oud)).
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
BESLISSING:
Geldboete van EUR 1500,00 subsidiair 30 dagen hechtenis waarvan EUR 600,00 subsidiair 12 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde geldboete desgewenst te voldoen in 6 termijnen van elk EUR 150,- per maand.
Dit vonnis is gewezen door,
mr. G.A.F.M. Wouters, economische politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M.C. Carmiggelt, griffier
en is uitgesproken op 29 maart 2005.