AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken rechtstreeks belang bij bouwvergunning reclame-uiting
Eiseres exploiteert een supermarkt op enkele honderden meters afstand van het perceel waar een bouwvergunning voor reclame-uitingen is verleend aan een concurrerende supermarkt. Eiseres stelt dat haar concurrentiepositie negatief wordt beïnvloed door deze reclame-uitingen, omdat deze de zichtbaarheid van de concurrerende supermarkt vergroten.
De rechtbank overweegt dat belangen die samenhangen met concurrentievrees in beginsel rechtstreeks betrokken kunnen zijn bij besluiten die de vestiging of uitbreiding van een concurrent mogelijk maken. Echter, in deze zaak betreft het besluit slechts de wijze waarop aandacht wordt gevestigd op een reeds bestaande supermarkt, niet de vestiging of uitbreiding zelf.
Daarom is het nadeel dat eiseres mogelijk ondervindt te indirect en staat het in een te ver verwijderd verband met het besluit om als rechtstreeks gevolg te gelden. De rechtbank bevestigt dat verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiseres geen rechtstreeks belang heeft bij het besluit tot vergunningverlening.
Uitspraak
RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 05/3696
Uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2006
inzake
[eiseres]
gevestigd te [woonplaats]
eiseres,
[gemachtigde]
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch,
[gemachtigde]
Aan het geding heeft als partij deelgenomen [belanghebbende] [gemachtigde]
Procesverloop
Bij besluit van 17 maart 2005 heeft verweerder een reguliere bouwvergunning verleend voor het aanbrengen van reclame-uitingen op het perceel [adres]
Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 27 september 2005 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen laatstgenoemd besluit heeft eiseres op 9 november 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het beroep is op 28 april 2006 behandeld ter zitting, waar namens eiseres is verschenen [betrokkene] bijgestaan door de gemachtigde van eiseres.
Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.
Vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] bijgestaan door de gemachtigde van vergunninghoudster.
Overwegingen
1. Ter beoordeling staat het besluit van verweerder van 27 september 2005, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 17 maart 2005. Dit besluit strekt tot verlening van een reguliere bouwvergunning voor het aanbrengen van reclame-uitingen aan een [supermarkt] op het perceel [adres]
Partijen zijn verdeeld over de vraag of het belang van eiseres rechtstreeks bij dit besluit is betrokken en of zij mitsdien als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 vanPro de Awb kan worden aangemerkt
2. Het wettelijk kader is als volgt.
3. Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank.
4. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb - voor zover hier van belang - dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen, tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij het besluit op bezwaar is genomen.
5. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
7. Vaststaat dat eiseres op enige honderden meters van het onderhavige perceel een supermarkt exploiteert. Van enig zicht vanaf de locatie van deze supermarkt op de aan te brengen reclame-uitingen, is, naar door eiseres niet wordt betwist, geen sprake. Evenmin is in geschil dat de reclame-uitingen ook anderszins geen directe invloed hebben op de omgeving van de door eiseres geëxploiteerde supermarkt.
8. Eiseres stelt zich niettemin op het standpunt dat haar belang rechtstreeks bij het besluit tot vergunningverlening is betrokken, aangezien haar concurrentiepositie door de vergunde reclame-uitingen negatief wordt beïnvloed. Verweerder maakt volgens eiseres op dit punt ten onrechte een onderscheid tussen het besluit tot verlening van bouwvergunning voor de vestiging van de [supermarkt] als zodanig en de bouwvergunning voor de reclame-uitingen. Immers, door het aanbrengen van de reclame-uitingen wordt de supermarkt beter herkenbaar voor het publiek, waardoor te verwachten is dat de supermarkt van eiseres minder klanten zal aantrekken, aldus eiseres.
9. De rechtbank stelt voorop dat belangen van een ondernemer, samenhangend met vrees voor concurrentie, geacht kunnen worden rechtstreeks te zijn betrokken bij besluitvorming die de vestiging van een concurrerende ondernemer in diens afzetgebied mogelijk maakt. In beginsel kan hetzelfde gezegd worden van besluitvorming die een uitbreiding van de bedrijfsvoering van een binnen het afzetgebied reeds gevestigde concurrent mogelijk maakt. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat een besluit als thans aan de orde, voornoemde belangen slechts indirect raakt. Het maakt immers de vestiging noch de uitbreiding van de betrokken supermarkt mogelijk, doch heeft uitsluitend betrekking op de wijze waarop de aandacht op die supermarkt kan worden gevestigd. Voorzover eiseres hierdoor enig nadeel als door haar gesteld zou ondervinden, staat dit in een te ver verwijderd verband tot het besluit tot vergunningverlening om nog als rechtstreeks gevolg hiervan te kunnen worden aangemerkt.
10. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerder het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
11. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank,
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gedaan door mr. P.H.C. Schoemaker, voorzitter, en mrs. W.C.E. Winfield en M.T. van Vliet, leden, en in tegenwoordigheid van mr. H.J. van der Meiden als griffier uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2006.
Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.