ECLI:NL:RBSHE:2006:AY6483

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
11 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
141090 / FA RK 06-1331
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.M.A. Opstelten-Dutilh
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251 BWArt. 1:377g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot co-ouderschapsregeling en wijziging omgangsregeling

De minderjarige kinderen hebben via de kinderrechtswinkel een verzoek ingediend tot wijziging van de omgangsregeling met hun vader, waarbij zij meer tijd met hem willen doorbrengen en een co-ouderschapsregeling wensen waarbij zij om de week bij vader en moeder verblijven.

Tijdens de zitting bleek dat vader en moeder hierover geen overeenstemming konden bereiken en dat er al langere tijd onduidelijkheid bestaat over de omgangsafspraken. De rechtbank heeft de partijen geadviseerd de communicatie te verbeteren en hulp van het maatschappelijk werk in te schakelen.

De rechtbank oordeelt dat een co-ouderschapsregeling niet door kinderen zelf kan worden gevraagd, omdat deze regeling ook gevolgen heeft voor de hoofdverblijfplaats en financiële afspraken. Daarnaast kan de rechtbank deze regeling niet vaststellen zonder instemming van beide ouders.

Verder merkt de rechtbank op dat beslissingen over mobiele telefoons, het meenemen van spullen en reparaties onder het gezamenlijk ouderlijk gezag vallen en dat ouders hierover afspraken moeten maken.

De rechtbank wijst het verzoek af en benadrukt dat vader en moeder het belang van de kinderen voorop moeten stellen en hun onderlinge communicatie moeten verbeteren.

Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van de omgangsregeling en het instellen van een co-ouderschapsregeling wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Zaaknummer : 141090 / FA RK 06-1331
Uitspraak : 11 juli 2006
Beschikking betreffende omgang in de zaak van
[verzoeker 1],
en
[verzoeker 2],
beiden wonende te [woonplaats],
tegen
[verweerder 2]
wonende te [woonplaats],
en
[verweerder 2]
wonende te [woonplaats]
partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2], vader en moeder
De procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de navolgende stukken:
- de brief van de kinderrechtswinkel [plaatsnaam] met daarbij de brief van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] gericht aan de rechtbank, ter griffie ingekomen op 06 maart 2006;
- de brief van de vader, gedateerd 15 juni 2006;
- de brief van de moeder, gedateerd 02 juli 2006.
De zaak is behandeld ter zitting van 06 juni 2006. Verschenen zijn [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2], vergezeld van mevrouw [naam] van de kinderrechtswinkel [plaatsnaam], de vader en de moeder. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.
De beoordeling
De vader en de moeder hebben gezamenlijk het gezag over hun kinderen [minderjarig kind 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], en [minderjarig kind 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]. [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] hebben hun hoofdverblijf bij hun moeder.
Uit de brief van de kinderrechtswinkel en uit de brief van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] blijkt dat zij graag een wijziging willen van de omgangsregeling die zij met hun vader hebben. De kinderen geven aan dat zij meer tijd met hun vader willen doorbrengen, dat zij geen spullen vanuit vader mogen meenemen naar moeder en omgekeerd en dat zij geen mobiele telefoon mogen hebben van hun moeder om hun vader te kunnen bellen.
Bij de behandeling van het verzoek ter zitting bleek dat de kinderen het liefst de ene week bij vader en de andere week bij moeder wilden zijn, wat in feite een co-ouderschapsregeling is. Verder hebben de kinderen aangegeven dat vader een defecte computer, die bij moeder thuis staat, niet mag repareren.
Vader en moeder hebben ter zitting aangegeven dat zij eerder al overleg met elkaar hebben gehad over een co-ouderschapsregeling, maar daarover geen overeenstemming hebben kunnen bereiken. Verder is naar voren gekomen dat er al langere tijd sprake is van onvoldoende duidelijkheid wat betreft het contact over de omgang. Met vader en moeder is ter zitting besproken dat zij in het belang van de kinderen hun communicatie zouden moeten verbeteren en dat zij daarbij de hulp van het maatschappelijk werk zouden moeten inroepen. De moeder heeft verklaard reeds contact te hebben gehad met het maatschappelijk werk.
Na de zitting is aan vader en moeder een brief gezonden waarin hen wordt verzocht uiterlijk 3 juli 2006 aan de rechtbank te berichten over de afloop van de gesprekken met het maatschappelijk werk. Van de kant van vader is een brief ontvangen, gedateerd 15 juni 2006 waarin hij niets vermeldt over een contact met het maatschappelijk werk. Van de kant van moeder is een brief ontvangen, gedateerd 02 juli 2006 met de mededeling dat - onder meer - door de vakantieperiode de gesprekken bij het maatschappelijk werk niet voor de zomervakantie kunnen worden gevoerd.
De rechtbank is van oordeel dat het niet in het belang van de kinderen is de beslissing in deze zaak aan te houden in afwachting van de uitkomst van de gesprekken van vader en moeder. Dit is te meer zo daar de rechtbank niet anders kan dan het verzoek van [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] afwijzen, nu ter zitting gebleken is dat zij een co-ouderschapsregeling bedoelen van de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader. Ten eerste kan een co-ouderschapsregeling niet door kinderen op deze manier gevraagd worden. Weliswaar hebben kinderen de mogelijkheid om zelf aan de rechter een omgangsregeling te vragen, maar een verzoek om een co-ouderschapsregeling omvat meer dan alleen het vaststellen of wijzigen van een omgangsregeling. Zo heeft een co-ouderschapsregeling ook gevolgen voor de gewone verblijfplaats van kinderen en de financiële regelingen voor kinderen. Ten tweede kan de rechtbank een dergelijke regeling niet vast stellen als de vader en moeder het daarover niet eens zijn omdat de uitvoering van zo'n regeling vereist dat vader en moeder goed overleg met elkaar kunnen hebben. De regeling die de kinderen verzoeken gaat dan ook veel verder dan de invulling van een omgangsregeling, waarbij kinderen hun hoofdverblijf hebben bij de ene ouder en omgang hebben met de andere.
Met betrekking tot de overige verzoeken dan wel omstandigheden die de kinderen naar voren hebben gebracht merkt de rechtbank op dat beslissingen over het al dan niet hebben van een mobiele telefoon, het meenemen van spullen of het repareren van een computer behoren tot het ouderlijk gezag dat door vader en moeder gezamenlijk wordt uitgeoefend. Zij dienen hieromtrent dan ook overleg te voeren, afspraken te maken en die afspraken te respecteren, zodat het voor de kinderen duidelijk is hoe hun vader en moeder hierover denken.
De rechtbank betreurt het dat [minderjarig kind 1] en [minderjarig kind 2] (ten onrechte) hebben gedacht op deze manier hun wensen te kunnen verwezenlijken, maar zij gaat ervan uit dat vader en moeder thans het belang van hun kinderen voorop zullen stellen en zullen trachten hun onderlinge verhouding te verbeteren en afspraken te maken die voor iedereen aanvaardbaar kunnen zijn.
Op grond van het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.
De beslissing
De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M.A. Opstelten-Dutilh, rechter, tevens kinderrechter,
en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2006 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan -uitsluitend door tussenkomst van een procureur (advocaat)- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch
a. door de wettelijke vertegenwoordiger van de minderjarigen en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden met uitzondering van de minderjarigen zelf, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.