ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ5832

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
9 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
153081./ KG ZA 07-8
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • J.H.W. Rullmann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 248 FwArt. 287 FwArt. 350 lid 3 FwArt. 350 lid 5 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering definitieve schuldsaneringsregeling leidt tot faillissement saniet

Begin 2006 diende de Belastingdienst een verzoek tot faillietverklaring in tegen de saniet, die daarop een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling indiende. De rechtbank Utrecht verleende voorlopige toepassing en benoemde Mr Dekker tot bewindvoerder. Later werd het verzoek tot definitieve toepassing afgewezen, wat door het Gerechtshof Amsterdam en de Hoge Raad werd bekrachtigd en bevestigd.

De saniet stelde dat door de weigering tot definitieve schuldsanering de bevoegdheden van de bewindvoerder waren geëindigd en vorderde dat de bewindvoerder de onder zich gehouden gelden aan de Belastingdienst zou doorbetalen om zo de belastingschulden te voldoen en het faillissement af te wenden.

De rechtbank oordeelde dat weigering van definitieve toepassing na voorlopige verlening gelijkstaat aan intrekking van de schuldsaneringsregeling, waardoor de saniet van rechtswege failliet is. Dit betekent dat de bewindvoerder zijn bevoegdheden behoudt en de vordering van de saniet strandt. De rechtbank wees de vordering af en veroordeelde de saniet in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de saniet af en bevestigt dat hij van rechtswege failliet is.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 153081 / KG ZA 07-8
Vonnis in kort geding van 9 januari 2007
in de zaak van
[eiser], wonende te [woonplaats] ,
eiser,
procureur mr. J.A.T.M. van Zinnicq Bergmann,
advocaat mr. J.C.Dorrepaal te Alphen a/d Rijn,
tegen
Mr. P.R. DEKKER,
kantoorhoudende te Rosmalen, in zijn hoedanigheid van voormalig bewindvoerder in de wettelijke schuldsanering van [[eiser] voornoemd,
gedaagde,
verschenen in persoon.
Partijen zullen hierna [eiser] en Mr Dekker genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling.
De rechter heeft terstond vonnis gewezen.
2. De feiten en het geschil
2.1. Begin 2006 had de Belastingdienst een verzoek tot faillietverklaring van [eiser] bij de Rechtbank Utrecht ingediend. [eiser] heeft daarop een verzoekschrift tot toepassing van schuldsaneringsregeling ex art. 248 Fw Pro. bij die rechtbank ingediend. De behandeling van het faillissementsrekest van de fiscus werd daardoor geschorst.
2.2. De Rechtbank Utrecht heeft bij vonnis d.d. 18 april 2006 ten aanzien van [eiser] de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken, met benoeming van Mr Dekker tot bewindvoerder.
Bij vonnis van 12 juni 2006 heeft de Rechtbank Utrecht het verzoek van [eiser] tot (definitieve ) toepassing van de schuldsaneringsregeling afgewezen. Op het daartegen door [eiser] ingesteld hoger beroep heeft het Gerechtshof Amsterdam bij arrest d.d. 18 augustus 2006 dit rechtbankvonnis bekrachtigd. Bij arrest d.d. 22 december 2006 heeft de Hoge Raad der Nederlanden het door [eiser] ingesteld cassatieberoep verworpen en werd de beslissing tot afwijzing van de schuldsanering onherroepelijk.
Als gevolg daarvan zal de geschorste behandeling van het door de fiscus ingediende faillissementsrekest worden voortgezet op 10 januari 2007
2.3. [eiser] stelt dat door de weigering hem tot de schuldsanering toe te laten, de taak en de bevoegdheden van Mr Dekker als bewindvoerder zijn geëindigd. Inmiddels had Mr Dekker tijdens zijn bewind aanzienlijke bedragen van [eiser] onder zich gekregen, volgens eigen opgave € 632.334,09.
2.4. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven, dat Mr Dekker wordt veroordeeld om de bedragen die hij onder zich heeft, aan de Belastingdienst door te betalen, zulks op straffe van een dwangsom bij niet-voldoening. Hij beoogt daarmee zijn opeisbare belastingschulden aan de Belastingdienst te voldoen, waarna morgen, 10 januari 2007, de faillissementsaanvrage van dienst zou moeten worden afgewezen.
2.5. Mr Dekker heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Op zijn verweer zal waar nodig bij de beoordeling worden ingegaan.
3. De beoordeling
3.1. Blijkens de MvT op artikel 287 Fw Pro. maakt het in effect en rechtsgevolgen geen verschil of de schuldsaneringsregeling voorlopig dan wel direct of aansluitend definitief van toepassing wordt verklaard. Weigering, na voorlopige verlening, behoort daarom gelijk te staan met intrekking van een verleende definitieve schuldsaneringsregeling.
3.2. De weigering was door de Rechtbank Utrecht, zoals blijkend uit het arrest van het Hof (zie daarvoor de conclusie AG-Spier bij 's Hogen Raads arrest) gegrond op feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 350 lid 3 onder Pro c, d, en e Fw. Een weigering op die gronden heeft dan, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, ingevolge artikel 287 Fw Pro. (in de uitleg zoals blijkend uit de MvT) juncto artikel 350 lid 5 Fw Pro. tot gevolg dat [eiser] na 's Hogen Raads arrest van rechtswege in staat van faillissement verkeert. De behandeling van het faillissementsrekest dient dan nog slechts om een curator en een rechter-commissaris te benoemen. In deze opvatting zou dat al in de beschikking tot weigering van de schuldsanering gebeurd hebben kunnen zijn.
3.3. Bij deze uitleg van genoemde artikelen van de Faillissementswet heeft [eiser] nog altijd zijn bevoegdheid om over zijn vermogen te beschikken, verloren. Daarop strandt zijn vordering, met zijn veroordeling in de kosten.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter:
weigert de gevraagde voorziening;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding aan de zijde van Mr Dekker gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 1.064,00 waarvan € 248,00 verschotten en € 816,00 salaris.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.W. Rullmann en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2007.