ECLI:NL:RBSHE:2007:BA3298

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
19 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01/849137-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor opzetheling schilderij Van Gogh

De rechtbank 's-Hertogenbosch heeft verdachte veroordeeld voor opzetheling van het schilderij 'De Geknotte Berkenboom' van Vincent van Gogh. Verdachte heeft het schilderij in de periode van februari tot maart 2006 verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. De rechtbank achtte dit wettig en overtuigend bewezen.

De tenlastelegging omvatte ook een subsidiaire beschuldiging van wederrechtelijke toe-eigening in 1999, maar deze is niet bewezen verklaard. Verdachte is daarom daarvan vrijgesproken. De rechtbank legde een werkstraf van 240 uur op, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Bij de strafoplegging werd rekening gehouden met de ernst van het feit, het initiatief van verdachte, zijn onverschillige houding ten aanzien van het nationale erfgoed en de bijdrage aan de afzetmarkt van gestolen goederen. Tegelijkertijd werden de erkenning van schuld en medewerking aan het onderzoek en zijn stabiele persoonlijke omstandigheden als verzachtende factoren meegewogen.

De rechtbank vond de opgelegde straf passend en matigde de eis van de officier van justitie, die 24 maanden gevangenisstraf vorderde. Verdachte werd primair veroordeeld voor opzetheling, meermalen gepleegd.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 240 uur werkstraf en 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van 2 jaar voor opzetheling van een Van Gogh-schilderij.

Uitspraak

RECHTBANK ’S-HERTOGENBOSCH
Parketnummer: 01/849137-06
Uitspraakdatum: 19 april 2007
VERKORT VONNIS
Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] [geboorteland] op [geboortedatum] 1980,
wonende te [woonplaats]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 april 2007.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 januari 2007. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 5 april 2007 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht (bijlage). Met inachtneming van deze wijziging is aan verdachte tenlastegelegd dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 12 mei 1999 tot en met 12 maart 2006,
althans in de periode van 7 maart 2006 tot en met 12 maart 2006, in elk geval
op 12 maart 2006 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een schilderij (te weten "De Geknotte
Berkenboom" van Vincent Van Gogh) heeft/hebben verworven en/of voorhanden
heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben overgedragen terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten
tijde van het verwerven en/of het voorhanden hebben en/of het overdragen wist(en) dat het een
door misdrijf verkregen goed betrof;
(artikel 416 juncto Pro 47 Wetboek van Strafrecht)
Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 12 mei 1999 tot en met 14 mei 1999 te
's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans
alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen
een schilderij (te weten "De Geknotte Berkenboom" van Vincent van Gogh), in
elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Van Lanschot Bankiers
N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s);
(artikel 310 juncto Pro 47 Wetboek van Strafrecht)
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.
De geldigheid van de dagvaarding.
De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.
De bevoegdheid van de rechtbank.
Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
Schorsing der vervolging.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.
De bewezenverklaring.
De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:
(primair)
in de periode van 1 februari 2006 tot en met 12 maart 2006 te 's-Hertogenbosch een schilderij (te weten "De Geknotte Berkenboom" van Vincent Van Gogh) heeft verworven en voorhanden
heeft gehad en heeft overgedragen terwijl hij ten tijde van het verwerven en het voorhanden hebben en het overdragen wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.
De kwalificatie.
Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.
De strafbaarheid.
Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.
Toepasselijke wetsartikelen.
De beslissing is gegrond op:
Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57 en 416.
DE OVERWEGINGEN DIE TOT DE BESLISSING HEBBEN GELEID
De eis van de officier van justitie.
t.a.v. primair:
een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De op te leggen straffen.
Bij de beslissing over de straffen die aan verdachte dienen te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede
op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
Bij de strafoplegging zal de rechtbank enerzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden ten bezware van verdachte:
- de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
- het initiatief tot het plegen van het strafbare feit ging uit van verdachte;
- verdachte is er niet voor teruggeschrokken om een nationaal erfgoed van aanzienlijke waarde
uit puur winstbejag te verhandelen;
- door verdachtes kennelijk onverschillige houding ten aanzien van de uiteindelijke bestemming
van het erfgoed had het onderhavige schilderij van Van Gogh buiten Nederlands grondgebied kunnen geraken. Dat dit uiteindelijk niet is gebeurd is niet aan verdachtes handelen te danken geweest.
- verdachte heeft door zijn strafbare handelen een bijdrage geleverd aan het in stand houden van
een afzetmarkt van gestolen goed.
Bij de strafoplegging zal de rechtbank anderzijds in het bijzonder rekening houden met de volgende uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren gekomen omstandigheden die tot matiging van de straf hebben geleid:
- verdachte heeft het door hem gepleegde strafbare feit bij de aanvang van het tegen hem ingestelde onderzoek toegegeven en heeft tevens zijn volledige medewerking aan dat onderzoek verleend;
- verdachte heeft een vaste betrekking en kent geen problemen op leefgebieden.
Gelet op dit alles acht de rechtbank een werkstraf van na te melden duur op zijn plaats.
Met betrekking tot de op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd mits verdachte zich gedurende een hierna vast te stellen proeftijd aan de voorwaarde houdt dat hij zich niet aan een strafbaar feit zal schuldig maken. De rechtbank wil met een en ander enerzijds de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit tot uitdrukking brengen en anderzijds door invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte het door verdachte opnieuw plegen van een strafbaar feit tegengaan.
De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Anders dan de officier van justitie rekent de rechtbank verdachte niet in strafverhogende zin aan de omstandigheid dat hij geen openheid van zaken heeft gegeven omtrent de identiteit van degene die hem het schilderij ter verkoop heeft overgedragen, aangezien verdachte zich in deze strafzaak primair dient te verantwoorden terzake van heling en hij daaromtrent wél openheid van zaken heeft verschaft.
DE UITSPRAAK
Verklaart het primair tenlastegelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:
(primair)
opzetheling, meermalen gepleegd.
Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.
BESLISSING:
t.a.v. primair:
*Werkstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig
artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht.
De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te
verrichten arbeid.
*Gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. P.J.H. van Dellen, voorzitter,
mr. M.E. Bartels en mr. P.A. Buijs, leden,
in tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier
en is uitgesproken op 19 april 2007.