ECLI:NL:RBSHE:2007:BB4797

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
10 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
148007 / HA ZA 06-1932
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.M. Callemeijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 615a Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet ontvankelijkheid oproeping in vrijwaring in schadestaatprocedure na vonnis bodemprocedure

In deze civiele procedure vordert [S] in een incident de oproeping van [M] in vrijwaring. De hoofdzaak betreft een eerdere uitspraak waarbij [S] is veroordeeld tot schadevergoeding aan [V] wegens een incident met een Friese paard. De schadestaatprocedure dient ter vaststelling en vereffening van de schade.

De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 615a Rv het hoofdgeding en de schadestaatprocedure niet als afzonderlijke gedingen worden beschouwd voor vrijwaringsverzoeken. Hierdoor kan in de schadestaatprocedure in beginsel geen vrijwaringsincident meer worden ingesteld, omdat dit vóór alle weren in de hoofdzaak had moeten gebeuren.

De rechtbank oordeelt dat [S] te laat is met zijn verzoek en dat de door hem aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om hiervan af te wijken. De vordering wordt daarom niet ontvankelijk verklaard. Tevens wordt [S] veroordeeld in de kosten van het incident. De hoofdzaak wordt voortgezet met een nieuwe rolzitting.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring niet ontvankelijk en veroordeelt [S] in de proceskosten van het incident.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
zaak- en rolnummer 148007 / HA ZA 06-1932
Vonnis in incident van 10 januari 2007
in de zaak van
[V],
wonende te [woonplaats]
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
procureur mr. P.J.A.M. Baudoin,
tegen
[S],
wonende te [woonplaats]
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
procureur mr. J.E. Benner.
Partijen zullen hierna [V] en [S] worden genoemd.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussen partijen gewezen vonnis van deze rechtbank van 15 juni 2001 met zaak- en rolnummer 37058/HA ZA 99-717, waarbij [S] is veroordeeld tot betaling van de door [V] als gevolg van de trap van het Friese paard geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
- het exploot van 4 september 2006, waarbij [V] een staat, waarin het beloop van de te vereffenen schade gespecificeerd is opgegeven, aan [S] heeft doen bete-kenen;
- de akte van [V];
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring van [S];
- de incidentele conclusie van antwoord van [V].
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2. De beoordeling in het incident
2.1. [S] vordert dat hem wordt toegestaan [M], wonende te [woonplaats] aan de [adres], in vrijwaring op te roepen.
2.2. [V] heeft verweer gevoerd. Zij heeft onder meer gesteld (inc. cva sub 2):
dat "[S] gehouden (is) een vrijwaringsverzoek in te dienen vóór alle weren in de hoofdzaak. In casu is dat station al lang en breed gepasseerd nu in de hoofdzaak in het jaar 2001 vonnis is gewezen. De schadestaatprocedure (…) is een voortzetting van deze bodem-procedure en ziet op het vereffenen van de schadevergoeding. In deze fase van het geding kan een vrijwaringsverzoek niet meer aan de orde zijn. [S] komt hiermee te laat".
2.4. De rechtbank zal [S] niet ontvankelijk verklaren in zijn incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring.
Uit artikel 615a Rv volgt dat voor de toepassing van de artikelen betreffende de vrij-
waring het hoofdgeding en de schadestaatprocedure niet als afzonderlijke gedingen
worden beschouwd. Dit heeft tot gevolg dat in de schadestaatprocedure in beginsel
geen incidenten tot oproeping in vrijwaring meer kunnen worden uitgelokt. Deze voorziening dient immers gevraagd te worden vóór alle weren.
Er zijn geen omstandigheden gesteld en/of gebleken waaruit volgt dat in deze zaak op dit beginsel een uitzondering dient te worden gemaakt. De door [S] in het incident gestelde omstandigheid dat [M] als medebezitster van het Friese paard gehouden is bij te dragen in de schuld en de kosten die te zijnen laste komen, is daar-toe onvoldoende. Er is onder meer niet gesteld en/of gebleken dat deze omstandigheid niet reeds in het hoofdgeding had kunnen worden gesteld.
2.5. De rechtbank zal [S], gelet op al het vorenoverwogene, veroordelen in de proceskosten van het incident.
3. De beslissing
De rechtbank:
in het incident
verklaart [S] niet ontvankelijk in zijn incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van [M];
veroordeelt [S] in de kosten van het incident, aan de zijde van [V]
tot op heden begroot op € 452,00;
in de hoofdzaak
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 7 februari 2007 voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. Callemeijn en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2007.