4.3. Naast de borgstelling heeft Fortis bij het aangaan van de overeenkomst met Revanche andere zekerheden bedongen in de vorm van verpanding aan Fortis van de zaken, vorderingen en handels- en merknamen van Revanche. In beginsel is Fortis als schuldeiser volledig vrij om te kiezen welke zekerheid zij het eerst te gelde maakt. Wel kan het zo zijn dat, nu er sprake is van een verpanding, Fortis onzorgvuldig zou kunnen hebben gehandeld indien zij [Y] zou hebben aangesproken zonder een poging te hebben gedaan die andere zekerheden uit te winnen, een en ander afhankelijk van de concrete omstandigheden.
Van een dergelijke onzorgvuldigheid is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.
Uit het aanvangsverslag van de curator valt, anders dan [Y] betoogt, niet af te leiden dat Fortis de pogingen van de curator om een doorstart te maken heeft doorkruist.
De vordering van Fortis op Revanche bedraagt EUR 81.247,--. Als onbetwist is vast komen te staan dat Fortis de aan haar - naast de inventaris - verpande overige zekerheden van Revanche niet te gelde kon maken. Fortis heeft de inventaris van Revanche op 13 oktober 2006 door een beëdigd taxateur laten taxeren, welke taxateur de waarde van de inventaris heeft bepaald op een bedrag van EUR 33.255,--. Uiteindelijk is de inventaris van Revanche door Fortis aan een derde verkocht voor een bedrag van EUR 17.850,-- inclusief BTW. Ook indien de inventaris van Revanche voor de door de taxateur bepaalde waarde zou zijn verkocht, had dit, gezien de hoogte van de vordering van Fortis op Revanche van EUR 81.246,70, niet geleid tot het niet of voor een lager bedrag aanspreken van [Y] uit hoofde van de borgstellingsovereenkomst.
Ter zitting van 13 augustus 2007 heeft de rechtbank [Y] in de gelegenheid gesteld om haar stelling dat verkoop van de inventaris bij meer of andere inspanningen van Fortis een zoveel hogere opbrengst had kunnen opleveren dat [Y] niet of niet voor het volledige bedrag van de borg had hoeven worden aangesproken, tegenover de gemotiveerde betwisting door Fortis nader te onderbouwen. Daartoe heeft [Y] onder meer taxatierapporten overgelegd van Troostwijk Taxaties van 12 januari 2005, waarin de liquidatiewaarde van de inventaris van Revanche op dat moment is getaxeerd op een bedrag van EUR 69.000,-- en de vervangingswaarde van de inventaris van Revanche op dat moment is getaxeerd op een bedrag van EUR 175.000,--.
In de akte overlegging producties van 23 oktober 2007 stelt [Y] dat de overgelegde taxatierapporten haar stellingen onderbouwen dat de door Troostwijk getaxeerde liquidatiewaarde ruim het dubbele is van de in opdracht van Fortis getaxeerde liquidatiewaarde zodat bij realisering van de eerstgenoemde waarde [Y] slechts voor een bedrag van circa veertienduizend euro zou zijn aangesproken en dat bij realisering van een onderhandse verkoop in het geheel geen vordering op Revanche had hoeven resteren zodat [Y] niet als borg aangesproken zou zijn.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [Y] met slechts de overlegging van de taxatierapporten van Troostwijk Taxaties uit 2005 haar stellingen tegenover de gemotiveerde betwisting door Fortis onvoldoende nader onderbouwd. Ook Fortis heeft de inventaris van Revanche door een beëdigd taxateur laten taxeren, waarbij de executiewaarde van de inventaris per 13 oktober 2006 werd getaxeerd op een bedrag van EUR 33.255,--. Ten opzichte van de eerdere taxatie moet daarbij worden aangetekend dat er na de eerdere taxatie bijna twee jaren waren verstreken en Revanche inmiddels in staat van faillissement verkeerde. Bij de uiteindelijke verkoop is niet de taxatieprijs per 12 januari 2005 en evenmin de in opdracht van Fortis bepaalde taxatieprijs per 13 oktober 2006 verkregen, maar slechts een bedrag van EUR 17.850,-- inclusief BTW. Voor de beantwoording van de vraag of [Y] als borg wordt aangesproken is bepalend wat de uiteindelijke verkoopopbrengst is en of daarmee de vordering van Fortis op Revanche kan worden voldaan. Dat er destijds een potentiële koper was die méér had willen betalen, is door [Y] aanvankelijk wel gesteld, maar – hoewel zij daartoe na de betwisting door Fortis nog de gelegenheid heeft gekregen – volstrekt onvoldoende onderbouwd.
[Y] stelt dat zij in de brief van de curator van 14 september 2007 leest dat er geen verkoopvoorwaarden zijn en dat er geen koopovereenkomst is. Naar de mening van [Y] blijkt uit vorengenoemde brief niet van serieuze inspanningen om de inventaris te verkopen voor een hoge opbrengst. Fortis voert daartegen verweer. De rechtbank is van oordeel dat uit de brief van de curator van 14 september 2007 niets blijkt dat een nadere onderbouwing kan vormen van de stellingen van [Y]. Dat de curator niet beschikt over een kopie van de koopovereenkomst houdt niet in dat er geen verkoopvoorwaarden of koopovereenkomst zouden zijn. Uit de brief blijkt niet dat Fortis zich bij de verkoop van de inventaris onvoldoende actief heeft opgesteld.
[Y] stelt dat de ontruimingskosten ten laste van de boedel hadden moeten worden gebracht. Doordat de ontruimingskosten voor rekening van de koper zijn gekomen heeft de inventaris naar de mening van [Y] een lagere verkoopprijs opgebracht dan wanneer deze kosten voor rekening van de boedel zouden zijn gekomen. Hierdoor zou [Y] volgens haar stelling niet althans voor een lager bedrag aangesproken zijn op haar borgstelling. [Y] heeft tegenover de betwisting door Fortis onvoldoende gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat verkoop van de inventaris van Revanche een zodanige opbrengst had opgeleverd dat [Y] niet althans voor een lager bedrag als borg zou zijn aangesproken, indien de ontruimingskosten niet ten laste van de koper zouden zijn gebracht. Reeds daarom faalt dit verweer.