ECLI:NL:RBSHE:2008:BC4831

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
25 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01/845487-07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 27 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs handel in cocaïne buiten Nederland

De rechtbank 's-Hertogenbosch behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het opzettelijk buiten Nederland brengen van cocaïne tussen januari 2006 en mei 2007. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van vier jaar en baseerde zich op afgetapte telefoongesprekken, observaties en de aanhouding van een medeverdachte met een geprepareerde auto.

Uit de tapverslagen bleek dat verdachte en zijn medeverdachte veelvuldig communiceerden over handel in niet nader genoemde zaken met versluierd taalgebruik. Hoewel dit het vermoeden van handel in verdovende middelen rechtvaardigde, kon niet met zekerheid worden vastgesteld dat het om cocaïne ging. Observaties toonden ontmoetingen tussen verdachte en medeverdachte, maar het doel daarvan bleef onduidelijk.

Verdachte verklaarde dat hij vaker met auto's naar Spanje reed voor zijn medeverdachte, die in auto’s handelde, en dat hij had gehoord dat er cocaïne in die auto's verstopt zou zijn. Onderzoek in Spanje en naar de genoemde persoon leverde echter niets op. Er werd geen cocaïne aangetroffen bij verdachte of medeverdachte.

De rechtbank oordeelde dat het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen was en sprak verdachte vrij. Tevens werd het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van handel in cocaïne buiten Nederland.

Uitspraak

verkort vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Sector Strafrecht
Parketnummer: 01/845487-07
Datum uitspraak: 25 februari 2008
Verkort vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte]
geboren in [geboortedatum] te [geboorteplaats] ([land]),
wonende te [woonplaats], [adres]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 november 2007 en 11 februari 2008.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging.
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 16 oktober 2007.
De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 11 februari 2008 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie aan dit vonnis gehecht.
Aan verdachte is, na voornoemde wijziging, tenlastegelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 01 januari 2006 tot en met 31 mei 2007 te Rotterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland (te weten Belgie en/of Frankrijk en/of Spanje) heeft gebracht een of meer hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de
Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
(artikel 2 Opiumwet Pro)
De geldigheid van de dagvaarding.
De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.
De bevoegdheid van de rechtbank.
Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.
De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.
Schorsing der vervolging.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.
Bewijsoverweging
Volgens het Openbaar Ministerie is bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 januari 2006 tot en met 23 april 2007 samen met [medeverdachte 1] heeft schuldig gemaakt aan uitvoer van cocaïne naar Spanje. Verwezen wordt daarbij naar afgetapte telefoongesprekken, observaties, de verklaring van verdachte en het feit dat [medeverdachte 1] op 23 april 2007 is aangehouden in een, volgens de officier van justitie voor drugsvervoer, geprepareerde auto.
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf met aftrek overeenkomstig artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank overweegt het volgende. In het onderliggende dossier bevindt zich een groot aantal telefoontapverslagen en observatieverslagen over een periode van enkele weken. Uit de tapverslagen blijkt dat verdachte en zijn [medeverdachte 1] onderling veelvuldig en met versluierd taalgebruik praten over handel in bepaalde zaken, die niet expliciet worden genoemd, maar waarvoor zij wisselende termen gebruiken. Zo wordt onder andere gesproken over spul dat moet worden betaald en gebracht, hoeveelheden en monsters. Een en ander rechtvaardigt het vermoeden dat verdachte zich bezig hield met handel in verdovende middelen, maar niet met zekerheid valt vast te stellen dat wordt gesproken over handel in cocaïne. Uit de observaties blijkt dat verdachte en [medeverdachte 1] elkaar meermalen hebben getroffen, maar met welk doel dit was valt eveneens niet vast te stellen.
Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] in auto’s handelde en dat hij in dat kader wel vaker voor [medeverdachte 1] met een auto naar Spanje reed. Op een gegeven moment zou hij van ene [persoon 1] hebben gehoord dat er cocaïne verstopt zat in deze auto’s. Onderzoek om deze [persoon 1] te vinden en onderzoek in Spanje om de lezing van verdachte na te trekken, heeft niets opgeleverd. Ook is, op een klein spoor in de auto waarin [medeverdachte 1] werd aangehouden na, op geen enkel moment daadwerkelijk cocaïne aangetroffen bij verdachte of [medeverdachte 1]. De rechtbank acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarom vrijspreken.
De bewijsbeslissing.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
De rechtbank zal ten aanzien van parketnummer 01/845487-07 het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
DE UITSPRAAK
Vrijspraak, achtende de rechtbank het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen.
Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis in
de zaak met parketnummer 01/845487-07 met ingang van heden. Deze voorlopige
hechtenis is op 9 januari 2008 reeds geschorst.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. drs. W.A.F. Damen, voorzitter,
mr. K. Visser en mr. M. Lammers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.A. Bijl, griffier,
en is uitgesproken op 25 februari 2008.