‘Onderzochte was ten tijde van het plegen van het hem tenlastegelegde feit lijdende aan een zodanig ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, dat dit feit hem niet kan worden toegerekend.
Bij onderzochte heeft zich in de loop der jaren een chronisch psychotische stoornis ontwikkeld die geclassificeerd kan worden als een ongedifferentieerde schizofrenie. Hierbij speelt bij onderzocht mogelijk ook een stemmingsgerelateerde component een rol.
Schizofrenie is een ernstige, chronische ziekte die wordt gekenmerkt door al dan niet langdurig bestaande psychotische perioden, met daartussen mogelijke psychosevrije intervallen, en – in aanzienlijk deel van de ziektegevallen – een proces waarin de cognitieve en emotionele kwaliteiten afnemen. Bij onderzochte lijkt er sprake te zijn van een geleidelijk afglijden met toenemende zelfverwaarlozing en misbruik van middelen.
Bij onderzochte staan het chaotisch denken en de stemmingswisselingen met onvoorspelbaar gedrag op de voorgrond. Ook valt de bewegingsonrust op.
Meer op de achtergrond spelen paranoïde wanen een rol in zijn functioneren, waarbij hij de niet corrigeerbare misvatting heeft dat justitie het op hem gemunt heeft. Hij twijfelt tevens voortdurend over de motieven van zijn familie en vermoedt dat zij samenspannen met justitie. Zijn denken, voelen en handelen worden hierdoor regelmatig geheel in beslag genomen, zeker op momenten dat hij zich hiermee geconfronteerd voelt. Voortkomend uit deze wanen ontstaat bij onderzochte het gevoel van miskenning. Dit leidt bij hem tot boosheid en agitatie.
De chronisch psychotische stoornis kan wel zijn geluxeerd of in negatieve zin zijn versterkt door misbruik van alcohol en (soft)drugs.
Onderzochte is van zichzelf niet geneigd anderen geweld aan te doen, hij lijkt oorspronkelijk vooral zachtaardig en zorgzaam van aard. Over het geheel genomen (en met medicatie) is hij goed gestemd. Zijn boosheid en agitatie zijn vooral reactief bepaald in samenhang met zijn wanen (bij medicatieweigering) en geven uiting aan zijn onmacht en innerlijke nood.
De stoornis van onderzochte kent een chronisch beloop. Al vanaf 1999 wordt gesproken van paranoïde, vreemde gedragingen.
De kans dat hij zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan soortgelijke feiten als het thans tenlastegelegde van 2007 achten wij groot. Zijn stoornis is, zeker als hij geen medicatie gebruikt, onverminderd aanwezig. Hij heeft, mede op basis van die stoornis, geen enkel vertrouwen in justitie (of de politie).
Gelet op vorenstaande adviseren wij de rechtbank om aan onderzochte de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van een jaar op te leggen. Het onderzoekend team meent dat medicamenteuze behandeling van de psychose een eerste vereiste is. Tot op heden is onderzocht moeilijk te motiveren tot deze behandeling. Naast de medicamenteuze finetuning dienen onderzochte’s psychosekwetsbaarheid en verslavingsgevoeligheden (gebruik van softdrugs) aan de orde te komen. Gedacht kan worden aan het geven van psycho-educatie aan onderzochte én zijn familie over zijn stoornissen, alsmede aan het vervroegd onderkennen van psychotische fenomenen.
Daarnaast lijkt het zoeken naar een beschutte woonomgeving van wezenlijk belang. Wij achten onderzochte niet in staat om zelfstandig zijn leven op orde te brengen. Het onderzoekend team verwacht dat de feitelijke opname in een psychiatrisch ziekenhuis niet van heel lange duur hoeft te zijn en dat de aandacht voornamelijk gericht moet zijn op het instellen van een langdurige (woon)begeleiding ter bestrijding van het recidivegevaar.’