ECLI:NL:RBSHE:2009:BH0961

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
27 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01/839349-08
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel van 24.360 euro

Verdachte is veroordeeld voor de handel in cocaïne in de periode van 1 juni 2006 tot en met 16 oktober 2008. De rechtbank stelde vast dat verdachte wekelijks 25 gram cocaïne inkocht, waarvan hij zelf 1,5 gram per dag gebruikte, en de rest verkocht. Uitgaande van een verkoop van 14,5 gram per week gedurende 84 weken en een winst van 20 euro per gram, werd het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op 24.360 euro.

De officier van justitie had aanvankelijk een hoger bedrag gevorderd, maar paste dit aan na de verklaring van verdachte. De verdediging verzocht om vermindering van het bedrag wegens vervoerskosten en financiële draagkracht, maar de rechtbank wees deze verzoeken af wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van aannemelijkheid dat verdachte niet binnen redelijke termijn inkomen zou verwerven.

De rechtbank legde de verplichting op aan verdachte om het bedrag van 24.360 euro aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De verkoop van XTC-pillen werd buiten beschouwing gelaten omdat verdachte daarvan werd vrijgesproken. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank 's-Hertogenbosch op 27 januari 2009.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot betaling van 24.360 euro ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit cocaïnehandel.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH
Sector Strafrecht
Parketnummer ontneming: 01/839349-08
Datum uitspraak: 27 januari 2009
Vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
wonende te [adres],
thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 januari 2009.
De vordering van de officier van justitie strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 42.000,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering gewijzigd in die zin dat thans een bedrag ad € 24.610,00 wordt gevorderd. Naar aanleiding van de verklaring van verdachte inhoudende dat hij 25 gram cocaïne per week inkocht en dat hij daarvan 1 ½ gram cocaïne per dag zelf gebruikte gaat de officier van justitie in haar berekening uit van de verkoop van 14 ½ gram cocaïne per week gedurende 84 weken. Uitgaande van een winst van € 20,00 per gram levert dit een opbrengst op van € 24.360,00. Daarbij opgeteld het bedrag van € 250,00 ter zake van de verkoop van XTC-pillen levert op een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 24.610,00.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsvrouwe heeft verzocht uit te gaan van de berekening van de officier van justitie. Zij heeft voorts verzocht een bedrag ter zake van vervoerskosten in mindering te brengen op genoemd bedrag. Tenslotte heeft zij verzocht het bedrag te matigen gelet op de financiële draagkracht van verdachte.
Het oordeel van de rechtbank.
De vordering is tijdig ingediend.
De rechtbank heeft in de hoofdzaak met bovenvermeld parketnummer vonnis gewezen op 27 januari 2009. De rechtbank heeft (onder meer) bewezen geacht dat verdachte in de periode van 1 juni 2006 tot en met 16 oktober 2008 te Gemert en Beek en Donk en Laarbeek op tijdstippen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I (feit 1).
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het deel van de tenlastelegging dat ziet op de handel in XTC-pillen. Gelet op vorenstaande zal de rechtbank het bedrag van € 250,00 ter zake van de verkoop van XTC-pillen buiten beschouwing van haar berekening laten.
De bewijsmiddelen.
- een dossier van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Gezamenlijke Recherche, Gezamenlijke Recherche Helmond plus, met kenmerk PL2233/08-008639, afgesloten d.d. 18 november 2008 (hierna pv);
- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 13 januari 2009.
Ten aanzien van de verkoop van cocaïne gaat de rechtbank, overeenkomstig het standpunt van de officier van justitie en de raadsvrouwe, uit van de volgende berekening.
In het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van een periode van 84 weken1. De bewezenverklaarde periode betreft een veel langere periode. De rechtbank zal in het voordeel van verdachte uitgaan van 84 weken.
Verdachte heeft verklaard dat hij per week 25 gram cocaïne inkocht voor een bedrag van
€ 750,002. Verdachte betaalde derhalve € 30,00 per gram cocaïne.
Verdachte verkocht de cocaïne voor € 50,00 per gram3. Verdachte maakte derhalve een winst van € 20,00 per gram.
Verdachte heeft verklaard dat zijn eigen gebruik 1 ½ gram cocaïne per dag bedroeg4. Per week is dit 10 ½ gram cocaïne. Verdachte verkocht per week derhalve 14 ½ gram cocaïne.
84 weken à 14 ½ gram cocaïne = 1218 gram cocaïne
1218 gram cocaïne à € 20,00 = € 24.360,00
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat verdachte voornoemd voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld (feit 1).
Ten aanzien van het verzoek van de raadsvrouwe met betrekking tot de vervoerskosten.
De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek onvoldoende onderbouwd is. De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat verdachte incidenteel cocaïne afleverde met zijn bromfiets en dat hij daarnaast ook met een auto en te voet afleverde of de cocaïne aan zijn huis verkocht. De raadsvrouwe heeft onvoldoende onderbouwd met welke frequentie verdachte de cocaïne met de bromfiets afleverde en wat de hoogte is van de benzinekosten. Gelet op vorenstaande zal de rechtbank geen bedrag ter zake van vervoerskosten in mindering brengen.
Ten aanzien van het verzoek van de raadsvrouwe tot matiging gelet op de financiële draagkracht van verdachte.
De rechtbank acht geen termen aanwezig de op te leggen betalingsverplichting te matigen. De rechtbank neemt daartoe in aanmerking dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat verdachte binnen een redelijke termijn na zijn detentie niet in staat moet worden geacht voldoende inkomen te verwerven, teneinde aan de betalingsverplichting te voldoen. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking de leeftijd van verdachte, zijnde 27 jaar.
De op te leggen betalingsverplichting.
De rechtbank zal aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling van € 24.360,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Toepasselijke wetsartikelen.
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak.
De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 24.360,00 (vierentwintigduizenddriehonderdzestig euro).
Legt aan (veroordeelde) de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag ter grootte van € 24.360,00 (vierentwintigduizenddriehonderdzestig euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat hij, door middel van of uit de baten van het feit ter zake waarvan hij is veroordeeld, heeft verkregen.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. J.G. Vos, voorzitter,
mr. M.L.W.M. Viering en mr. C.A. Mandemakers, leden,
in tegenwoordigheid van mr. H. Pol-Wildeman, griffier,
en is uitgesproken op 27 januari 2009.
1 het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel (pv pagina 124)
2 de verklaring van verdachte (pv pagina 80 en 81)
3 de verklaring van [getuige 1] (pv pagina 57), de verklaring van [getuige 2] (pv pagina 88 en 89), de verklaring van [getuige 3] (pv pagina 92 en 93) en de verklaring van verdachte (pv pagina 81)
4 de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting