ECLI:NL:RBSHE:2009:BK4626
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter en toewijzing geldvordering consumentenkrediet
In deze zaak stond de bevoegdheid van de Nederlandse rechter centraal bij een geschil over een geldleningsovereenkomst gesloten in november 2003 tussen de Rabobank en een consument die destijds woonachtig was in Nederland. De kantonrechter oordeelde dat aan artikel 17 lid 3 van Pro de EEX-Verordening was voldaan, omdat zowel de consument als de kredietgever ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in Nederland waren gevestigd.
De Rabobank had de overeenkomst, algemene bankvoorwaarden en ingebrekestellingsbrieven overgelegd, waarmee werd voldaan aan de vereisten van de Wet op het consumentenkrediet (WCK). De consument was niet verschenen en had de hoofdsom niet betwist. De kantonrechter wees de gevorderde hoofdsom en de contractuele vertragingsrente toe, met inachtneming van de wettelijke beperkingen.
De verzochte waarmerking van het vonnis op grond van de EET-Verordening werd afgewezen omdat het verstekvonnis niet werd afgegeven in de lidstaat waar de consument woonachtig was. Ten slotte werd de consument veroordeeld in de proceskosten, met een gematigd gemachtigdensalaris vanwege het tijdstip van overlegging van stukken.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van de hoofdsom en vertragingsrente en in de proceskosten.