De man stelt daartoe onder meer dat de vrouw door intrekking van het hoger beroep heeft berust in de bij beschikking van 27 juli 2009 uitgesproken echtscheiding, waardoor die beschikking ten aanzien van de echtscheiding kracht van gewijsde heeft gekregen nu hijzelf reeds in de echtscheiding had berust. De man meent dat zowel de ambtenaar van de burgerlijke stand als hij uit de door de griffier van het gerechtshof op 6 oktober 2009 afgegeven verklaring hebben kunnen en mogen afleiden, dat de door de rechtbank gegeven echtscheidingsbeschikking kracht van gewijsde heeft verkregen, zodat de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Schijndel de juiste informatie bevatten. De man concludeert dat van enige misslag in de registers geen sprake is en dat mitsdien van doorhaling van de latere vermelding betreffende de echtscheiding evenmin sprake kan zijn.
De man voert voorts aan dat, voor zover de rechtbank zou oordelen dat de ambtenaar van de burgerlijke stand ten onrechte de echtscheiding heeft ingeschreven, de vrouw misbruik maakt van haar bevoegdheid om verbetering van de registers te verzoeken. In dit verband wijst de man erop dat de vrouw louter en alleen uit financiële motieven handelt. Immers in de procedure betreffende voorlopige voorzieningen had de rechtbank een partneralimentatie van € 2.400,00 per maand vastgesteld, terwijl in de echtscheidingsprocedure is bepaald dat de man een bijdrage van € 320,00 per maand aan levensonderhoud heeft te voldoen.
De man stelt dat de in de echtscheidingsprocedure vastgestelde bijdrage eerst zal kunnen ingaan op het moment dat de echtscheiding een feit is, doch dat zolang dit nog niet het geval is de vrouw een bijdrage van € 2.400,00 per maand zal ontvangen, terwijl zij ook nog profijt trekt uit het door de man opgebouwde ouderdomspensioen. De man meent dat het de vrouw slechts te doen is om de echtscheiding op een zo laat mogelijk tijdstip te doen ingaan, vanwege het financieel voordeel dat dit haar oplevert. De man stelt dat de vrouw haar bevoegdheid om de registers van de burgerlijke stand te laten aanpassen aanwendt voor een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheid is verleend. De man voert aan dat, gelet op de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening door de vrouw van haar bevoegdheid en het belang van de man dat daarmee wordt geschaad, de vrouw in redelijkheid niet tot de uitoefening van haar recht behoort te worden toegelaten.
Ter onderbouwing van het subsidiair door de man gedaan zelfstandig verzoek, stelt hij dat, nu slechts een financieel belang de grondslag vormt in deze zaak, de echtscheidings-beschikking geacht moet worden op 28 oktober 2008 te zijn ingeschreven en dat de ambtenaar van de burgerlijke stand zulks dient op te nemen in de registers. De man voert daarbij aan het onredelijk te achten dat hij, indien de inschrijving van de echtscheiding thans zou worden doorgehaald, gedurende een langere periode op grond van de beschikking voorlopige voorzieningen een bijdrage ten titel van partneralimentatie zou moeten voldoen.
De man verzet zich voorts tegen de verzochte veroordeling in de proceskosten, daartoe aanvoerende dat hij recht en belang heeft bij een spoedige echtscheiding. Hij meent te hebben gehandeld overeenkomstig de Wet en de door de griffier van het gerechthof afgegeven verklaring. De man wijst erop dat de vrouw zich slechts uit financiële motieven tegen de inschrijving van de echtscheiding verzet en dat zij hem dwingt tot het voeren van verweer. De man concludeert primair tot veroordeling van de vrouw in de proceskosten en subsidiair tot compensatie van de kosten.