Op 14 mei 2010 heeft de psychiater dr. J.H. van Renesse en de psycholoog drs. G.M. Jansen, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht, een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Voor wat betreft de strafbaarheid van verdachte blijkt uit dit rapport onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende:
Betrokkene is lijdende aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te omschrijven als schizofrenie van het paranoïde type. Daarnaast is er sprake van antisociaal gedrag als aandachtspunt. Dit gaat echter niet zover dat van een antisociale persoonlijkheidsstoornis gesproken kan worden. De ziekelijke stoornis beïnvloedde betrokkenes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde, zodanig dat dat naar ons oordeel daaruit volledig kan worden verklaard.
Bij betrokkene staan gedurende een langere periode (oncorrigeerbare) gedachten centraal dat anderen zijn gedachten kunnen lezen. Vaak gaat dit bij betrokkene gepaard met de overtuiging dat anderen hem op enigerlei wijze kwaad willen doen en ook met een hoog angstniveau. Betrokkene past zich aan door zich veelal aan sociaal verkeer te onttrekken. Medicatie nam betrokkene onregelmatig, maar de medicatie had veelal wel een gunstig effect op met name de angsten.
Bij ons onderzoek blijkt dat ook onder condities van goede medicatie, een prikkelarme omgeving zonder blootstelling aan veel anderen, een overzichtelijk en gestructureerde aanpak, de realiteitstoetsing van betrokkene feitelijk blijft tekortschieten. In contact met onderzoekers kan hij zichzelf kortdurend geruststellen (vooral met betrekking tot de gedachte dat iedereen zijn gedachten kent), maar ook dan is de geruststelling van zeer korte duur. De facto betekent dit dat betrokkene ook onder optimale condities steeds moet worden beschouwd als psychotisch; het vermogen zijn innerlijk beleven/overtuiging te toetsen aan de gedeelde werkelijkheid schiet dan tekort.
Betrokkene lijdt al langere tijd aan paranoïde schizofrenie. Vanaf begin 2009 heeft betrokkene zijn noodzakelijke medicatie niet of slechts zeer onregelmatig ingenomen. Gezien het bovenstaande impliceert dit dat men mag aannemen dat betrokkene continu onderhevig was aan ernstige en beangstigende waanovertuigingen.
Hoewel het delict niet optimaal kon worden onderzocht en alleen kon worden afgegaan op betrokkenes eigen verklaringen is wel aannemelijk geworden dat betrokkene ook het slachtoffer opneemt in zijn paranoïde waansysteem. Hij raakt toenemend in een toestand van 'Einengung'(fuik- of tunnelvisie) waarin hij meent zich met geweld tegen het slachtoffer te moeten verweren, overtuigd als hij is dat deze man hem te gronde wil richten en hem belachelijk maakt in de gemeenschap. Dat er mogelijk voorafgaand aan het tenlastegelegde ruzie ontstaat tussen betrokkene en het slachtoffer bevestigt betrokkene nog in zijn waan dat deze hem het leven zuur wil maken.
Wij adviseren derhalve om betrokkene op grond van het bovenstaande als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen voor het tenlastegelegde.