ECLI:NL:RBSHE:2010:BN7341

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
8 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/2655
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 WIJArt. 8:81 AwbArt. 13 lid 1 sub b WIJArt. 14 lid 1 en 2 WIJArt. 18 lid 1 WIJ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen eenzijdige wijziging werkleeraanbod Wet investeren in jongeren

Verzoeker, een jongere met een chronische nieraandoening, heeft op 31 mei 2010 een aanvraag ingediend voor een werkleeraanbod en inkomensvoorziening krachtens de Wet investeren in jongeren (WIJ). Op 16 juni 2010 is een werkleeraanbod overeengekomen en ondertekend, waarin een tweejarige HBO-opleiding Management in de Zorg werd aangeboden met bijbehorende werkuren in de zorgsector.

De gemeente heeft dit werkleeraanbod later eenzijdig aangepast, waarbij een sollicitatiecursus en jobhunter werden aangeboden, wat verzoeker heeft geweigerd. De voorzieningenrechter stelt vast dat het oorspronkelijke werkleeraanbod een definitief besluit was, genomen door een bevoegde medewerker namens het college, en dat de eenzijdige wijziging niet is toegestaan zonder toepassing van de voorwaarden uit artikel 21 van Pro de WIJ.

Daarom wordt het bestreden besluit dat het werkleeraanbod wijzigt en de inkomensvoorziening beëindigt, naar voorlopig oordeel niet in stand gehouden. De voorzieningenrechter beveelt de gemeente met ingang van 13 augustus 2010 een inkomensvoorziening toe te kennen van € 913,06 per maand, inclusief vakantietoeslag, tot zes weken na beslissing op bezwaar. Tevens worden proceskosten en griffierecht aan verzoeker toegekend.

Uitkomst: Het werkleeraanbod is definitief en mag niet eenzijdig worden gewijzigd; verzoeker krijgt een voorlopige inkomensvoorziening toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH
Sector bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 10/2655
Uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 september 2010
inzake
[verzoeker],
te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde mr. A.P. van Knippenbergh,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Best,
verweerder,
gemachtigde G.W. Hitpass.
Procesverloop
Bij besluit van 9 augustus 2010 heeft verweerder medegedeeld dat verzoeker geen werkleeraanbod als bedoeld in artikel 5, derde lid, de Wet investeren in jongeren (WIJ) krijgt. Verweerder heeft daarbij verzoeker slechts over de periode van 3 juli 2010 tot en met
9 augustus 2010 in aanmerking gebracht voor een inkomensvoorziening ten bedrage van € 913,06. Vanaf 10 augustus 2010 heeft verweerder geweigerd verzoeker in aanmerking te brengen voor een inkomensvoorziening op grond van de WIJ.
Tegen dit besluit heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend.
Bij brief van 12 augustus 2010, bij de rechtbank ingekomen op 13 augustus 2010, heeft verzoeker tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De zaak is behandeld op de zitting van 1 september 2010, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. R.G.J.M. Onderdonck, een kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan, indien het bestreden besluit in de bodemprocedure naar voorlopig oordeel geen stand zal kunnen houden, terwijl tevens voldoende spoedeisend belang aanwezig is.
Bij twijfel omtrent de rechtmatigheid van het in geding zijnde besluit zal dienen te worden bezien of na afweging van de betrokken belangen grond bestaat voor het treffen van een voorziening. Daarbij dient het belang van de indiener van het verzoek om een voorlopige voorziening te worden afgewogen tegen het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
3. Aangezien tegen het besluit van 9 augustus 2010 tijdig bezwaar is gemaakt, deze rechtbank in een eventuele bodemprocedure bevoegd zal zijn en ook overigens geen beletselen bestaan, kan verzoeker in zijn verzoek worden ontvangen.
4. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is onder meer het volgende gebleken.
5. Verzoeker is geboren op [datum] en heeft een chronische nieraandoening. Tot 1 september 2009 heeft verzoeker gewerkt. Aansluitend heeft verzoeker tot en met 30 juni 2010 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontvangen. Verzoeker heeft op 31 mei 2010 een aanvraag ingediend voor een werkleeraanbod en een inkomensvoorziening krachtens de WIJ. Deze aanvraag is in behandeling genomen door klantmanager R. Broeders. Zij heeft op 7 juni 2010 met verzoeker een gesprek gevoerd. Verzoeker heeft daarop een voorstel gedaan voor een werkleeraanbod, inhoudende het volgen van een tweejarige opleiding Management in de Zorg bij Fontys Hogeschool. Onderdeel van deze opleiding is een verplichting om 20 uur per week te werken in de zorg, welke werkzaamheden verzoeker in zijn zelf opgerichte stichting NIP, een stichting ten behoeve van chronisch nierpatiënten, wil gaan verrichten. Verzoeker komt niet in aanmerking voor studiefinanciering omdat het een deeltijdopleiding is. Naar aanleiding hiervan heeft de klantmanager een stuk opgemaakt, genaamd trajectplan, gedateerd 16 juni 2010, welk stuk door mevrouw Broeders en verzoeker is ondertekend.
In dit stuk staat onder ‘aanbod op basis van de conclusie’ vermeld “2 jarige HBO opleiding”. Onder ‘afspraken werkleeraanbod’ staat vermeld:
“De kosten voor collegegeld en boekengeld i.h.k.v. re-integratietraject zullen door de vakgroep Sociale Zaken betaald worden. Aanpalende kosten (denkend bv aan reiskosten, overige studiekosten, computer aanschaf e.d). komen voor uw eigen rekening.
- zoals met u tel. op 17.06.2010 is afgesproken zal uw situatie t.o.v. uw stichting nauwkeurig bekeken worden door de Klantmanager inkomen, welke verantwoordelijk is voor het recht en hoogte van uw inkomensvoorziening”.
Het stuk van 16 juni 2010 is vervolgens voorgelegd aan een andere gemeenteambtenaar, de heer W. Meulendijks, die concludeerde dat het werkleeraanbod niet voldoet aan het uitgangspunt van de WIJ. Vervolgens heeft een gesprek plaatsgevonden met verzoeker op 22 juli 2010, waarbij is medegedeeld dat het werkleeraanbod zoals neergelegd in het stuk van 16 juni 2010 zal worden aangepast. Op 30 juli 2010 is door de heer Meulendijks een stuk opgesteld, waarin onder ‘afspraken werkleeraanbod’ staat vermeld “Aanbieden van een sollicitatiecursus. Deze kan de klant volgen op vrijwillige basis. Aanbieden van een jobhunter voor ondersteuning bij het zoeken naar werk.” Op 2 augustus 2010 heeft weer een gesprek met verzoeker plaatsgevonden waarbij het door verweerder aangepaste werkleeraanbod van 30 juli 2010 aan verzoeker is voorgelegd. Verzoeker gaf in dat gesprek aan hier niet mee akkoord te gaan, hetgeen door de advocaat van verzoeker op 4 augustus 2010 is bevestigd.
6. Met ingang van 1 juli 2010 is de WIJ in werking getreden. Deze wet heeft betrekking op jongeren tot 27 jaar.
7. Ingevolge artikel 5 van Pro de WIJ wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:
– inkomensvoorziening: de inkomensvoorziening, bedoeld in artikel 24;
– werkleeraanbod: het aanbieden van algemeen geaccepteerde arbeid, een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen scholing, opleiding of sociale activering alsmede ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
8. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder b, van de WIJ bepaalt dat desgevraagd recht heeft op een werkleeraanbod: de jongere die zich in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 26 jaar bevindt en wiens in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de inkomensvoorzieningsnorm waarbij voor het in aanmerking te nemen inkomen het inkomen van de echtgenoot buiten beschouwing wordt gelaten.
9. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de WIJ, stelt het college het recht op een werkleeraanbod op aanvraag vast. Ingevolge het tweede lid van dit artikel legt het college in een rapportage de wensen van de jongere ten aanzien van het werkleeraanbod vast alsmede de wijze waarop deze wensen bij de vaststelling van aard, omvang en plaats van het werkleeraanbod zijn betrokken.
10. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de WIJ, bevat het besluit van het college, inhoudende dat aan de jongere een werkleeraanbod wordt gedaan, in ieder geval een omschrijving van de in het kader van het werkleeraanbod te verrichten activiteit naar aard, omvang en plaats.
11. Op grond van artikel 21 van Pro de WIJ kan het college een aan de jongere gedaan werkleeraanbod intrekken of herzien, indien:
a. wijziging optreedt in de omstandigheden, krachten of bekwaamheden van de jongere;
b. de jongere niet voldoet aan een of meer op hem rustende verplichtingen als bedoeld in hoofdstuk 5 en hem dit te verwijten valt.
12. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het stuk dat op 16 juni 2010 is ondertekend slechts een voorstel was en geen beslissing van het college zoals is voorgeschreven. Er is mede door toedoen van de gemeente een vervelende situatie ontstaan. Het eerste voorstel was echter niet goed en voldoet niet aan de uitgangspunten van de WIJ. Verzoeker heeft met zijn MBO-diploma namelijk al een startkwalificatie en beschikt over voldoende werkervaring. Een HBO-opleiding zal zijn kansen op de arbeidsmarkt niet vergroten. Aangezien verzoeker het voorgestelde en op 2 augustus 2010 met hem besproken werkleeraanbod van 30 juli 2010 heeft geweigerd, heeft verweerder geen definitief werkleeraanbod gedaan. Dit brengt mee dat geen recht bestaat op een inkomensvoorziening.
13. Verzoeker heeft aangevoerd dat de gemeente gehouden is het eerder gedane werkleeraanbod van 16 juni 2010 na te leven. De klantmanager mevrouw Broeders heeft steeds contact gehad met verzoeker over zijn aanvraag voor een werkleeraanbod. Zij heeft verzoeker een werkleeraanbod gedaan waarin de voorstellen van verzoeker zijn overgenomen. Dit werkleeraanbod is, nadat het was ondertekend door zowel mevrouw Broeders als verzoeker, vast komen staan. Een dag na de ondertekening op 16 juni 2010 heeft verzoeker zich aangemeld voor de opleiding bij de Fontys Hogeschool in Breda. Voorts heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met zijn individuele omstandigheden. Door zijn chronische nieraandoening is verzoeker niet in staat om zwaar werk te verrichten. In de commerciële sector zal verzoeker daarom niet optimaal kunnen functioneren. Zijn kansen op de arbeidsmarkt zijn klein. Verzoeker verwacht met een HBO-opleiding zijn kansen op de arbeidsmarkt aanzienlijk te vergroten. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat hij geen werkleeraanbod heeft geweigerd, maar juist met zijn ondertekening op 16 juni 2010 heeft geaccepteerd. Het niet nakomen van dit werkleeraanbod is in strijd met het vertrouwensbeginsel. Tevens heeft verzoeker nog aangevoerd dat de periode waarover wel uitkering is verstrekt te laat is ingegaan; dit zou per 31 mei 2010 moeten zijn. Op 1 september 2010 begint zijn opleiding. Om die te kunnen bekostigen dient verweerder voorschotten te verstrekken.
14. De voorzieningenrechter oordeelt dat al op 16 juni 2010 een definitief werkleeraanbod tot stand is gekomen. Er is hierbij een opleiding aan verzoeker aangeboden en er is namens verweerder toegezegd dat de kosten van het collegegeld en boekengeld betaald zullen worden. Bovendien is dit werkleeraanbod door verzoeker en mevrouw Broeders ondertekend. Hiermee voldoet het werkleeraanbod aan de omschrijving van de artikelen 5 en 18 van de WIJ. Bovendien blijkt uit de door verweerder overgelegde Mandaatregeling gemeente Best 2010 dat een medewerker van de vakgroep sociale zaken bevoegd is om namens het college besluiten ingevolge de WIJ te nemen. Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder bevestigd dat mevrouw Broeders een medewerker van de vakgroep sociale zaken is. Hiermee staat vast dat mevrouw Broeders bevoegd was tot het nemen van een besluit, waaronder het werkleeraanbod, namens het college. Het stond verweerder dan ook niet vrij om eenzijdig dit werkleeraanbod te wijzigen. Verweerder zou slechts onder de voorwaarden van artikel 21 van Pro de WIJ tot herziening of intrekking van het werkleeraanbod van 16 juni 2010 kunnen overgaan, maar niet is gebleken dat een van die voorwaarden van toepassing is in onderhavig geval.
15. Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit in de bezwaarprocedure naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter wegens strijd met de wet geen stand kunnen houden. De voorzieningenrechter acht daarom termen aanwezig bij wijze van voorlopige voorziening aan verweerder op te dragen met ingang van 13 augustus 2010 – de datum waarop het verzoekschrift bij de rechtbank is ingekomen - aan verzoeker een inkomensvoorziening ten bedrage van € 913,06 inclusief vakantietoeslag per maand toe te kennen, zulks tot 6 weken nadat op bezwaar is beslist. Met dit bedrag wordt verzoeker geacht voorlopig tevens het inschrijfgeld van ongeveer € 180,00 per maand te kunnen voldoen totdat op zijn bezwaar is beslist. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding verweerder bij wijze van voorlopige voorziening tevens op te dragen uitvoering te geven aan de afspraken van het werkleeraanbod van 16 juni 2010. Verweerder zal in de beslissing op bezwaar dienen te motiveren waarom is gekozen voor de ingangsdatum 3 juli 2010, nu verzoeker heeft aangevoerd dat de ingangsdatum 31 mei 2010 zou moeten zijn.
16. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:
• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;
• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;
• waarde per punt € 437,00;
• wegingsfactor 1.
17. Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat door verweerder aan verzoeker het door hem gestorte griffierecht ad € 41,00 dient te worden vergoed.
18. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De voorzieningenrechter,
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in dier voege dat met ingang van 13 augustus 2010 door verweerder aan verzoeker een inkomensvoorziening ten bedrage van € 913,06 inclusief vakantietoeslag per maand wordt toegekend, zulks tot 6 weken nadat op bezwaar is beslist;
- gelast verweerder aan verzoeker te vergoeden het door hem gestorte griffierecht ad € 41,00;
- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00.
Aldus gedaan door mr. G.H. de Heer-Schotman als rechter in tegenwoordigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 september 2010.
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschriften verzonden: