ECLI:NL:RBSHE:2010:BN8469
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs ontucht minderjarige dochter
Verdachte stond terecht wegens ontucht met zijn minderjarige dochter in de periode van juli 1998 tot december 2000. De aangifte van het slachtoffer was gedetailleerd en consistent, maar de rechtbank vond dat deze onvoldoende werd ondersteund door ander bewijsmateriaal. Diverse getuigenverklaringen bleken gebaseerd op wat het slachtoffer zelf had verteld of op verklaringen van de moeder van het slachtoffer, die deze verklaringen zelf betwistte.
De officier van justitie achtte de ontucht wettig en overtuigend bewezen, onder meer door verklaringen van familieleden en een mogelijke impliciete bekentenis van verdachte. De verdediging stelde echter dat de getuigenverklaringen inconsistent waren en dat het opzet tot ontucht niet vaststond.
De rechtbank oordeelde dat de enkele aangifte onvoldoende was voor een bewezenverklaring en dat de getuigenverklaringen onvoldoende steunbewijs vormden. De tegenstrijdige verklaringen van de moeder van het slachtoffer en de familieleden maakten het bewijs onvoldoende betrouwbaar. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij wegens gebrek aan wettig bewijs.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en de proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten. De benadeelde partij kan haar vordering nog civielrechtelijk voortzetten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontucht.