ECLI:NL:RBSHE:2010:BO7503

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01/994067-08 / RK 10/800
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Lozingenbesluit open teelt en veehouderijArt. 27 Wet op de omzetbelasting 1968Art. 90 Wetboek van StrafvorderingArt. 591 Wetboek van StrafvorderingArt. 591a Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning volledige vergoeding rechtsbijstand en BTW bij beëindiging strafzaak zonder straf

Verzoekster werd gedagvaard voor de economische politierechter wegens overtreding van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij. De zaak eindigde zonder oplegging van straf of maatregel. Verzoekster vroeg vergoeding van kosten rechtskundige bijstand inclusief BTW en kosten voor het verzoekschrift.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek tijdig was ingediend en dat aan de voorwaarden voor vergoeding was voldaan. De vergoeding voor reistijd van de raadsman werd integraal toegekend, afwijkend van jurisprudentie die slechts de helft toekent, omdat dit gebruikelijk is binnen de advocatuur en billijkheid vereist.

Daarnaast werd de vergoeding van het door verzoekster betaalde BTW-bedrag toegekend, omdat verzoekster als onderneming gebruikmaakt van de Landbouwregeling en de BTW niet kan verrekenen. De totale vergoeding bedraagt €2.129,36.

De beslissing is genomen door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 20 december 2010, waarbij rekening is gehouden met artikelen 90, 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering.

Uitkomst: Verzoekster krijgt volledige vergoeding van rechtsbijstandskosten inclusief BTW en reistijd toegekend.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH
Sector Strafrecht
Parketnummer: 01/994067-08
RK-nummer: 10/800
Beslissing ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering
Deze beslissing heeft betrekking op een op 18 mei 2010 ter griffie van deze rechtbank ingediend verzoekschrift, als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering, van:
[verdachte],
gevestigd te [vestigingsplaats], [adres], te dezer zake vestigingsplaats kiezende te Tilburg, Willem II-straat 29a, ten kantore van Linssen c.s. Advocaten.
Inleiding.
Verzoekster is door de officier van justitie gedagvaard om op 22 april 2010 voor de economische politierechter in deze rechtbank te verschijnen, teneinde terecht te staan op verdenking van overtreding van artikel 4, eerste lid, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij.
Verzoekster heeft, nu de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel, verzocht een vergoeding toe te kennen voor de kosten van rechtskundige bijstand incl. BTW
(€ 1.589,36) en de kosten voor het opstellen van het onderhavige verzoekschrift en de behandeling in openbare raadkamer.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de betrekkelijke stukken en van hetgeen namens verzoekster door haar raadsman mr. M.J.J.E. Stassen te Tilburg, alsmede door de officier van justitie in openbare raadkamer van 6 december 2010 naar voren is gebracht.
Van het verhoor is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.
De beoordeling.
Het verzoekschrift is tijdig ingediend, immers binnen drie maanden na beëindiging van de onderhavige strafzaak.
De rechtbank constateert dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Derhalve is voldaan aan de voorwaarden voor het kunnen toekennen van een vergoeding als verzocht.
Ten aanzien van de door verzoekster gevraagde toekenning van een vergoeding voor de reistijd van de advocaat stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat conform de geldende jurisprudentie slechts de helft van de reistijd voor vergoeding in aanmerking komt. Zij verwijst daarbij naar uitspraken van de rechtbanken 's-Hertogenbosch en Haarlem (respectievelijk 11 juni 2010, RKnr 09-286, niet gepubliceerd, en 24 augustus 2006, LJN AY 6955) en een arrest van het gerechthof Arnhem (30 juli 2007, LJN BD 6997).
De rechtbank oordeelt als volgt. Artikel 591a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kent de mogelijkheid schadevergoeding toe te kennen aan de gewezen verdachte voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door het gerechtelijk vooronderzoek en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden en in de kosten van een raadsman. De wet formuleert voor zover hier van belang ten aanzien van de kosten van de raadsman geen restrictie. Het LOVS hanteert als uitgangpunt dat de declaraties van raadslieden ten aanzien van reiskosten en reistijd als bedoeld in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering volledig worden vergoed. In de onderhavige zaak is de reistijd door de raadsman bij verzoeker volledig in rekening is gebracht. Dit is naar de rechtbank ambtshalve weet de gebruikelijke praktijk binnen de advocatuur. Gelet op deze feiten en omstandigheden en gelet op artikel 90 van Pro het Wetboek van Strafvordering dat bepaalt dat schadevergoeding wordt toegekend indien en voor zover daartoe gronden van billijkheid aanwezig zijn, is de rechtbank van oordeel dat de verzochte vergoeding voor de reistijd van de raadsman integraal dient te worden toegewezen.
Verzoekster wordt in het kader van de omzetbelasting (BTW) als een onderneming beschouwd. Uit de door de raadsman van verzoekster overgelegde brief van [accountant-administratieconsulent] van 11 oktober 2010 is gebleken dat verzoekster in het kader van de omzetbelasting gebruik maakt van de Landbouwregeling (artikel 27 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968). Dit betekent in het onderhavige geval dat verzoekster geen omzetbelasting hoeft af te dragen over de door haar geleverde goederen en andere prestaties van het door haar gedreven landbouwbedrijf en dat zij de door haar betaalde omzetbelasting op door haar gemaakte kosten niet in aftrek kan brengen op de omzetbelasting. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verzochte vergoeding voor het door verzoekster betaalde BTW-bedrag over de kosten van de rechtsbijstand dient te worden toegewezen.
Alle omstandigheden in aanmerking genomen, zijn er gronden van billijkheid aanwezig voor het toekennen van een vergoeding als na te melden.
Aan verzoeker zal worden toegekend het navolgende bedrag:
- kosten rechtsbijstand (incl. BTW) € 1.589,36
- kosten indienen verzoekschrift ex art. 591a Sv € 540,00
met inhoudelijke behandeling (incl. BTW) +
totaal € 2.129,36
Bij de beslissing is gelet op de artikelen 90, 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering.
DE BESLISSING.
De rechtbank kent aan verzoekster een vergoeding uit 's Rijkskas toe ten bedrage van
€ 2.129,36 (zegge: eenentwintighonderdnegenentwintig euro en zesendertig eurocent).
Deze beslissing is gegeven door:
mr. M.L.W.M. Viering, voorzitter,
mr. M. Lammers en mr. S. van Lokven, leden,
in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier
en is uitgesproken in openbare raadkamer van deze rechtbank van 20 december 2010.
Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter. De griffier is daartoe buiten staat.