ECLI:NL:RBSHE:2010:BP1112
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet
Eiser was sinds 1999 in dienst als chauffeur bij een bedrijf en werd in februari 2009 geconfronteerd met een taakvermindering door omzetdaling. Hij werd overgeplaatst naar magazijnwerk, wat hij weigerde uit te voeren. Na herhaalde sommaties verscheen hij niet op het werk en werd hij op staande voet ontslagen. De kantonrechter bevestigde dit ontslag wegens dringende reden.
Eiser vroeg WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd toegekend. Na ontvangst van de ontslagbeschikking besloot het UWV de uitkering met ingang van juni 2010 te beëindigen wegens verwijtbare werkloosheid. Eiser maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank oordeelde dat het oorspronkelijke besluit onvoldoende was gemotiveerd, maar dat de nadere motivering tijdens de procedure voldoende was om de rechtsgevolgen in stand te laten.
De rechtbank benadrukte dat de weigering van redelijk geachte opdrachten, ook al heeft de werknemer bezwaren, een dringende reden kan vormen voor ontslag op staande voet. De werkgever had de bedrijfsorganisatorische belangen afgewogen en de werknemer was niet arbeidsongeschikt verklaard. Eiser kon dus redelijkerwijs worden verwacht de magazijnwerkzaamheden uit te voeren. Het niet verschijnen op het werk en de weigering leidden tot verwijtbare werkloosheid.
Hoewel het UWV aanvankelijk fouten maakte in de beoordeling en toekenning van de WW-uitkering, stond dit niet aan het opleggen van de maatregel in de weg. De rechtbank veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.
Uitkomst: De blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt gehandhaafd met ingang van 3 juni 2010.