ECLI:NL:RBSHE:2011:BP3076
Rechtbank 's-Hertogenbosch
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening over bestemming as na overlijden moeder
In deze zaak staat een geschil centraal tussen een dochter en de echtgenoot van haar overleden moeder over de wijze van lijkbezorging en bestemming van de as. Moeder overleed op 56-jarige leeftijd en werd gecremeerd; de as bevindt zich waarschijnlijk nog in het crematorium. De echtgenoot heeft het wettelijk recht om de as te ontvangen en te bestemmen, maar de dochter betwist zijn voorgenomen bestemming.
De wens van de overledene omtrent de as is onduidelijk en niet aantoonbaar uit verklaringen van familie en vrienden. De verhouding tussen de familie en de echtgenoot was slecht, wat de communicatie en betrokkenheid bij de uitvaart bemoeilijkte. De dochter vordert afgifte van de urn met as, met dwangsom, maar kan niet aantonen dat haar voorgestelde bestemming overeenkomt met de vermoedelijke wens van de moeder.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het kort geding zich niet leent voor het vaststellen van de wens van de overledene en dat de echtgenoot voorlopig bevoegd is de as te bestemmen. Om onomkeerbare gevolgen te voorkomen, wordt een voorlopige voorziening getroffen die het uitstrooien van de as verbiedt totdat partijen overeenstemming bereiken of de bodemrechter hierover beslist. De dochter krijgt twee maanden om een bodemprocedure te starten, waarna de echtgenoot vrij is om te handelen, zoveel mogelijk in overeenstemming met de wens van de moeder.
De proceskosten worden gecompenseerd en de dwangsom wordt beperkt tot €10.000 per overtredingsdag, met een maximum van €100.000. De zaak benadrukt het belang van het respecteren van de vermoedelijke wens van de overledene en het belang van een zorgvuldige afwikkeling van lijkbezorging.
Uitkomst: Gedaagde wordt voorlopig verboden de as uit te strooien totdat overeenstemming is bereikt of de bodemrechter beslist, met een dwangsom en termijn voor eiseres om bodemprocedure te starten.