4.4. Voor de beoordeling van het reële karakter van het eigendomsrecht is naast de
-niet in geschil zijnde- juridische eigendom van Corporate Estate maatgevend of de beslagen bodemzaken daarnaast ook in economisch opzicht in overwegende mate aan Corporate Estate als derde, tevens juridisch eigenaar, toebehoren. Uit de onder 4.2.3. opgenomen leidraadbepaling volgt dat indien de economische verhouding tussen de belastingschuldige en de beslagen bodemzaken aanleiding geeft deze als zijn zaken aan te merken, verhaal op deze zaken, ook al zijn deze juridisch eigendom van die derde, gerechtvaardigd is.
4.4.1. Corporate Estate stelt in dat verband dat zij voldoet aan de drie criteria als
gesteld in de Leaseregeling en concludeert dat de reële eigendomssituatie verhaal van de Ontvanger op haar roerende zaken uitsluit. Ten aanzien van de eerste twee criteria, het zich gedragen als fiscaal eigenaar en juridische eigenaar zijn, erkent de Ontvanger dat aan betreffende criteria is voldaan. De Ontvanger bestrijdt evenwel dat ook aan het derde criterium is voldaan, het lopen van positief en/of negatief restwaarderisico. Corporate Estate stelt weliswaar dat ten aanzien van de verhuurde zaken voor haar een wezenlijk restwaarderisico bestond, doch deze stelling is bij gebreke aan een deugdelijke (cijfermatige) onderbouwing onvoldoende om dit criterium van de Leaseregeling te kunnen beoordelen. Zijdens Corporate Estate is ter comparitie erkend dat zij geen cijfermatige onderbouwing op dit punt heeft gegeven, noch heeft zij een dergelijke onderbouwing ter zitting verstrekt. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat Corporate Estate niet heeft voldaan aan haar stelplicht. Aldus is niet komen vast te staan dat Corporate Estate voldoet aan de eisen die de Leaseregeling stelt aan reëel eigendom.
4.4.2. De door GL aan Corporate Estate te betalen huurprijs bestond blijkens de
'overeenkomst verhuur roerende zaken' zoals hiervoor weergegeven onder 2.2. uit de afschrijvingskosten, vermeerderd met een vast opslagpercentage van 12% voor de lasten en bij overstijging van die vaste opslag, na onderling overleg, vermeerderd met een extra opslag. In geval de betaalde opslag de lasten oversteeg, vond geen restitutie plaats. Ingevolge de overeenkomst kwamen de investeringen voor rekening van de verhuurder (lees: Corporate Estate), doch ter comparitie werd door Corporate Estate naar voren gebracht dat ook de op verzoek van GL gedane investeringen aan GL ook met een opslag van 12% werden doorberekend in de huurprijs hetgeen resulteerde in een hogere huurprijs voor GL. De vaststelling van deze huurprijs geschiedde, aldus Corporate Estate, overeenkomstig de methodiek die bij leasemaatschappijen te doen gebruikelijk is.
4.4.3. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat hier sprake was van een op
leasing gelijkende vorm van huur van de inventaris tussen twee feitelijk verweven vennootschappen, waarbij de afschrijvingskosten, lasten en investeringen via de huurprijs volledig werden doorberekend door de ene vennootschap aan de andere, te weten in dit geval aan GL als huurder en tevens de belastingschuldige. Het economische risico van waardevermindering van deze zaken werd daarmee ook in overwegende mate bij GL gelegd. De stelling van Corporate Estate dat zij risico liep vanwege het feit dat de huurovereenkomst voor onbepaalde tijd was aangegaan en deze te allen tijde kon worden opgezegd door GL, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, het gestelde risico acht de rechtbank -bezien vanuit het perspectief van Corporate Estate- van beperkte betekenis, gelet op de hiervoor vastgestelde feitelijke verwevenheid en de overwegende economische afhankelijkheid van GL.
4.4.4. De economische verhouding tussen de belastingschuldige GL en de zaken
gaf, gelet op het voor haar rekening komende risico van waardedaling van die zaken, de Ontvanger terecht aanleiding deze zaken aan te merken als zijnde van GL en zijn verhaalsrecht uit te oefenen op de zaken waarvan de juridische eigendom bij Corporate Estate berust.