ECLI:NL:RBSHE:2011:BU5847

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
16 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
236116 / FA RK 11-5060
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 821 lid 4 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Termijn aanvang voor verval voorlopige voorzieningen bij echtscheiding

De rechtbank 's-Hertogenbosch behandelde een verzoek van de man tot wijziging van een voorlopige voorziening inzake partneralimentatie. De man stelde dat hij geen verweer had gevoerd in de eerdere procedure, waardoor de rechtbank geen rekening kon houden met zijn gegevens, en betwistte de behoefte van de vrouw aan alimentatie. Subsidiair stelde hij onvoldoende draagkracht te hebben.

De rechtbank verwees naar artikel 821 lid 4 Rv Pro, dat bepaalt dat een beschikking voorlopige voorzieningen haar kracht verliest indien niet binnen vier weken na dagtekening een verzoek tot echtscheiding is ingediend. De eerste beschikking was op 6 juli 2011, de termijn liep dus tot 3 augustus 2011. Het verzoek tot echtscheiding werd pas op 25 augustus 2011 ingediend, te laat volgens de rechtbank.

De rechtbank stelde dat de termijn aanvangt bij de eerste beschikking, niet pas na alle voorlopige voorzieningen. Dit is in lijn met de wetsgeschiedenis en de ratio dat voorlopige voorzieningen noodmaatregelen zijn die niet definitief mogen worden. Hierdoor verloren de beschikkingen van 6 en 28 juli 2011 hun kracht.

De rechtbank kwam daarom niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot wijziging en verklaarde de man niet-ontvankelijk.

Uitkomst: De man wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het verzoek tot echtscheiding binnen de vier weken na de eerste beschikking voorlopige voorzieningen.

Uitspraak

RECHTBANK 's-HERTOGENBOSCH
Sector civiel recht
Zaaknummer : 236116 / FA RK 11-5060
Uitspraak : 16 november 2011
Beschikking betreffende wijziging voorlopige voorzieningen in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. Z.M. Alaca,
tegen:
[verweerster],
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. M.A.E.A. Muurmans,
partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de man en de vrouw.
De procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift (met bijlagen) van de man, ontvangen ter griffie op 5 september 2011;
- de brief (met bijlagen) van mr. Alaca, gedateerd 17 oktober 2011.
De zaak is behandeld ter zitting van 2 november 2011. Verschenen zijn: partijen, bijgestaan door hun advocaten.
Het verzoek
De man verzoekt wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 28 juli 2011 voor wat betreft de daarbij getroffen voorlopige voorziening met betrekking tot de partneralimentatie, aldus dat deze bijdrage met ingang van 3 augustus 2011, althans met ingang van een datum als door de rechtbank in goede justitie te bepalen, nader wordt bepaald op nihil.
Hij stelt daartoe dat hij in de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 28 juli 2011 geen verweer gevoerd, waardoor de rechtbank geen rekening heeft kunnen houden met zijn gegevens. Hij betwist voorts dat de vrouw behoefte heeft aan de vastgelegde partneralimentatie. Subsidiair stelt hij dat hij over onvoldoende draagkracht beschikt om de vastgestelde bijdrage te voldoen.
De beoordeling
Ingevolge artikel 821 lid 4 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) verliest een beschikking houdende voorlopige voorzieningen, gegeven voordat een verzoek tot echtscheiding is gedaan, haar kracht indien niet binnen vier weken na haar dagtekening een verzoek tot echtscheiding is ingediend.
In het onderhavige geval is op 6 juli 2011 door deze rechtbank een beschikking voorlopige voorzieningen afgegeven, waarbij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw is toegekend en waarbij het verzoek met betrekking tot de partneralimentatie is aangehouden in afwachting van nader over te leggen stukken. Voorts is bij beschikking van 28 juli 2011 beslist omtrent het aangehouden verzoek tot voorlopige partneralimentatie. Vervolgens heeft de vrouw op 25 augustus 2011 een verzoek tot echtscheiding ingediend bij deze rechtbank.
De rechtbank is van oordeel dat de termijn als bedoeld in artikel 821 lid 4 Rv Pro aanvangt op het moment dat een eerste beschikking houdende voorlopige voorzieningen is afgegeven. De rechtbank baseert dit oordeel op de tekst van artikel 821 lid 4 Rv Pro alsmede de tekst van de memories van toelichting bij de wetsvoorstellen 15638 en 19424 die hebben geleid tot het huidige artikel 821 Rv Pro. In het onderhavige geval is de termijn van vier weken aldus gestart op 6 juli 2011 en is deze verlopen op 3 augustus 2011. Het verzoek tot echtscheiding is dan ook niet tijdig ingediend, waardoor alle getroffen voorlopige voorzieningen zijn vervallen.
Niet juist is de opvatting dat de termijn van artikel 821 lid 4 Rv Pro pas zou gaan lopen nadat op alle verzochte voorlopige voorzieningen is beslist. De ratio achter voormelde termijn is immers dat na een (eerste) beschikking houdende voorlopige voorzieningen voor alle betrokken partijen binnen zeer korte termijn duidelijk moet zijn of ook daadwerkelijk een echtscheidingsprocedure zal volgen. Voorlopige voorzieningen zijn immers per definitie noodmaatregelen en mogen niet tot een definitieve maatregel verworden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de beschikking van deze rechtbank van 6 juli 2011 haar kracht heeft verloren. Nu de beschikking van deze rechtbank van 28 juli 2011 voortbouwt op voormelde beschikking heeft deze eveneens haar kracht verloren.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de man, zodat de rechtbank de man hierin niet-ontvankelijk zal verklaren.
De beslissing
De rechtbank:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.P.M. van Reijsen, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011 in aanwezigheid van de griffier.
conc: JdW