Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBSHE:2012:BV7476

Rechtbank 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
12 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
788357
Instantie
Rechtbank 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 lid 1 BWArt. 3:59 BWArt. 44 lid 7 Algemeen Wedstrijdreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete opgelegd op grond van tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor gedrag ander niet toewijsbaar

De Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie vordert betaling van een boete van € 939,28 van de ouders en de dochter, die lid is van de federatie en door het Tuchtcollege veroordeeld is tot een boete wegens gedragingen tijdens een dressuurwedstrijd. De ouders en dochter betwisten de vordering, stellende dat de boete is opgelegd voor het gedrag van de vader en niet van de dochter zelf, en dat de ouders als niet-leden geen boete kunnen krijgen.

De rechtbank oordeelt dat de boete niet aan de ouders is opgelegd en dat zij daarom niet ontvankelijk is in haar vordering tegen hen. Ook kan de federatie de ouders niet als wettelijk vertegenwoordigers van de inmiddels meerderjarige dochter betrekken. De rechter gaat niet in op het tuchtrechtelijke oordeel zelf, maar toetst of de boete gegrond is op een regel die met de wet verenigbaar is.

De boete is opgelegd op grond van artikel 44 lid 7 van Pro het Algemeen Wedstrijdreglement, dat deelnemers verantwoordelijk stelt voor het gedrag van begeleiders en anderen in hun invloedsfeer. De rechtbank stelt dat een regel die iemand tuchtrechtelijk verantwoordelijk maakt voor het gedrag van een ander zonder gezag, in strijd is met de goede zeden zoals bedoeld in BW 3:40 lid 1 jo 3:59. Daarom wijst de rechtbank de vordering af en veroordeelt de federatie in de kosten van de ouders en dochter.

Uitkomst: De vordering tot betaling van de boete wordt afgewezen omdat de boete is opgelegd op basis van een onrechtmatige tuchtrechtelijke regel.

Uitspraak

Rechtbank Den Bosch
DE KANTONRECHTER IN EINDHOVEN
in de zaak van:
De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie, gevestigd en kantoorhoudend in Ermelo,
eiseres,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder E.S.A. Wiggers,
t e g e n :
[gedaagde sub 1], wonend in [plaats],
en
[gedaagde sub 2], wonend in [plaats],
en
[gedaagde sub 3], wonend in [plaats],
gedaagden,
allen procederend in persoon.
Procedure
Het verloop van het geding blijkt uit de stukken die zich in het dossier bevinden, te weten
– de dagvaarding
- het antwoord
– de handgeschreven aantekeningen van de comparitie
Vordering en verweer
1.1. Eiseres, de Hippische Federatie, vordert dat gedaagden, de ouders en de dochter [gedaagde sub 1], hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 939,28 plus rente,
een en ander bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en met een proceskostenveroordeling.
1.2. Zij voert daartoe aan
- dat [gedaagde sub 1] lid is van haar federatie
- dat [gedaagde sub 1] heeft deelgenomen aan een door haar georganiseerde dressuurwedstrijd
- dat [gedaagde sub 1] in het kader van die deelname door het Tuchtcollege is veroordeeld tot een boete van € 750,=
- dat die uitspraak wordt overgelegd
- dat [gedaagde sub 1] op het moment dat haar die boete werd opgelegd minderjarig was en haar vader en moeder haar wettelijk vertegenwoordigers waren
- dat [gedaagde sub 1] en haar wettelijk vertegenwoordigers de boete ondanks aanmaningen niet betaald hebben
- dat zij daarom in rechte aanspraak op die boete maakt.
2. De ouders en de dochter [gedaagde sub 1] stellen daar tegenover, voor zover van belang
- dat de boete niet mag worden opgeëist omdat die is opgelegd wegens gedrag van de vader, niet van [gedaagde sub 1] zelf en ook niet van haar moeder
- dat aan niet-leden als de ouders geen boete kan worden opgelegd
- dat zij zich tot overleg bereid hebben getoond maar een boete van € 750,= buiten proporties vinden.
Beoordeling
3. Aangenomen wordt, dat de boete moet worden betaald aan de Federatie; dat is weliswaar niet gesteld, maar ouders en dochter hebben ook niet iets anders gesteld.
4.1. In haar vordering tegen de ouders is de Hippische Federatie niet ontvankelijk: de boete is niet aan hen opgelegd.
4.2. Denkbaar is nog, dat de Hippische Federatie de ouders slechts als wettelijk vertegenwoordigers van [gedaagde sub 1] in rechte wil betrekken. Die zienswijze zou haar echter niet baten: [gedaagde sub 2] en zijn vrouw zijn niet als zodanig (‘q.q.’) gedagvaard, maar bovendien was [gedaagde sub 1] op de dag dat zij gedagvaard was al meerderjarig, zodat zij uitsluitend zelf gerechtigd is om terzake haar vermogensrechten in en buiten rechte op te treden.
5.1. De rechter treedt niet in het tuchtrechtelijk oordeel; dat is door de Federatie (die een vereniging is) aan de tuchtrechter in handen gegeven.
5.2. Of het bestrafte gedrag zich heeft voorgedaan en een boete verdient en hoe hoog die boete moet zijn, beoordeelt hij dus niet.
6.1. De rechter kan de vordering uit hoofde van een boete echter niet toewijzen als de boete is gegrond op een regel die zich niet met de wet verdraagt.
6.2. Daar is hier sprake van.
6.3. [gedaagde sub 1] is namelijk bestraft op grond van artikel 44 lid 7 van Pro het Algemeen Wedstrijdreglement (een verenigingsbesluit) dat zegt: ‘Iedere deelnemer is verantwoordelijk voor de gedragingen op en nabij het wedstrijdterrein van zijn begeleider, zijn helper en van andere personen die tot zijn invloedsfeer behoren (……)’.
6.4. Uit de uitspraak in kwestie van het Tuchtcollege blijkt, dat de boete is opgelegd wegens gedrag van vader [gedaagde sub 2].
6.5. Een regel die iemand tuchtrechtelijk verantwoordelijk maakt voor het gedrag van een ander, en dan met name een ander over wie hij geen gezag heeft, is in strijd met de goede zeden (BW 3:40 lid 1 io 3:59). Onder goede zeden te verstaan de in een rechtsgemeenschap gevoelde beginselen die men niet met civielrechtelijke regels of afspraken te na mag komen.
7. De vordering wordt daarom afgewezen.
8. Als in het ongelijk gestelde partij wordt de Hippische Federatie veroordeeld in de verletkosten van ouders en dochter [gedaagde sub 1], begroot op € 100,=.
BESLISSING
De kantonrechter:
Verklaart de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie niet ontvankelijk in haar vordering tegen [gedaagde sub 2] en in haar vordering tegen [gedaagde sub 3];
Wijst de vordering tegen [gedaagde sub 1] af;
Veroordeelt de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie in de verletkosten van ouders en dochter [gedaagde sub 1], in totaal begroot op € 100,=.
Aldus gewezen door mr P.M. Knaapen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 januari 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.